wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverhaal.nu blok 4.8.10

Total questions: 30

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

nieuw

b)

laptop

c)

toetsenbord

d)

omdat

2.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

lucht

b)

rode

c)

boeken

d)

kast

3.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

potlood

b)

maar

c)

streng

d)

in

4.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin:

Ik kijk naar de blauwe lucht

a)

kijk

b)

naar

c)

blauwe

d)

lucht

5.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin:

Ik denk dat ik een mooi schilderij ga maken.

a)

denk

b)

schilderij

c)

mooi

d)

maken

6.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin:

Dan schilder ik de boze burgemeester.

a)

schilder

b)

burgemeester

c)

ik

d)

boze

7.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin:

Door de regen heeft hij natte haren gekregen.

a)

regen

b)

gekregen

c)

haren

d)

natte

8.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in de zin:

Wat een gekke man is het toch.

a)

man

b)

gekke

c)

wat

d)

toch

9.

Wat is een voegwoord

a)

een woord dat twee zinnen met elkaar verbind

b)

een woord dat iets zegt over een ander woord

c)

een woord voor een mens, dier of ding

d)

een woord zoals de, het, een

10.

Welk woord is een voegwoord

a)

over

b)

op

c)

straten

d)

maar

11.

Welk woord is een voegwoord

a)

juffrouw

b)

het

c)

de

d)

en

12.

Welk woord is een voegwoord

a)

hoewel

b)

met

c)

in

d)

het

13.

Welk woord is een voegwoord

a)

want

b)

in

c)

over

d)

op

14.

Welk voegwoord hoort er tussen deze zinnen?

Marjan trekt een regenjas aan.

Het regent niet.

a)

omdat

b)

hoewel

c)

maar

d)

en

15.

Welk voegwoord hoort er tussen deze zinnen?

De buurvrouw sport elke dat. Ze moet afvallen

a)

mits

b)

maar

c)

omdat

d)

hoewel

16.

Welk voegwoord hoort er tussen deze zinnen?

Ik houd van vis. Ik houd van vlees

a)

omdat

b)

en

c)

maar

d)

wellicht

17.

Welk voegwoord hoort er tussen deze zinnen?

Ik ga op skivakantie. Ik houd van sneeuw

a)

maar

b)

en

c)

want

d)

mits

18.

Welk woord staat in de verleden tijd?

a)

is

b)

was

c)

heb

d)

krijg

19.

Welk woord staat in de verleden tijd?

a)

jas

b)

gekregen

c)

hebben

d)

loop

20.

Welk woord staat in de verleden tijd?

a)

plas

b)

gaat

c)

ging

d)

dansen

21.

Welke zin staat in de verleden tijd?

a)

Ik had een fiets

b)

Ik heb een fiets

c)

Ik fiets met de fiets

d)

Ik loop met de fiets

22.

Welke zin staat in de verleden tijd?

a)

Ik wandel op straat

b)

Ik liep op straat

c)

Ik loop op straat

d)

Ik ben op straat

23.

Welk woord staat in de tegenwoordige tijd?

a)

hebben

b)

hadden

c)

gehad

d)

liepen

24.

Welk woord staat in de tegenwoordige tijd?

a)

jankte

b)

gelachen

c)

lachen

d)

huilde

25.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

a)

Ik gleed uit over de banenschil

b)

Ik ben uitgegleden over de bananenschil

c)

Ik liep en gleed uit over de bananenschil

d)

Ik glij uit over de bananenschil

26.

Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?

a)

De kast staat recht

b)

De kast stond recht

c)

De kast heeft recht gestaan

d)

De kast was recht

27.

De verleden tijd van schrijft is

a)

geschreven

b)

schrijven

c)

schreef

d)

schrijf

28.

De verleden tijd van loop is

a)

lopen

b)

liepen

c)

liep

d)

gelopen

29.

De tegenwoordige tijd van keek is

a)

kijken

b)

kijk

c)

kijkt

d)

gekeken

30.

De tegenwoordige tijd van liepen is

a)

loopt

b)

loop

c)

gelopen

d)

lopen