Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen hoofdstuk 4

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Het achtervoegsel -vol betekent:

a)

verkeerd/zonder

b)

met veel

c)

niet

d)

tussen

2.

Welk woord heeft een achtervoegsel?

a)

heldendaad

b)

herleiden

c)

voordeel

d)

zichtbaar

3.
zet er een goede voor- of achtervoegsel bij: iedere dag
a)
ondagelijks
b)
dagbaar
c)
dagdienst
d)
dagelijks
4.
zet er een goede voor- of achtervoegsel bij: ieder jaar
a)
onjaarlijks
b)
jaarbaar
c)
jaardienst
d)
jaarlijks
5.

Welk woord heeft een achtervoegsel?

a)

heldendaad

b)

herleiden

c)

voordeel

d)

zichtbaar

6.

Welk woord heeft een achtervoegsel?

a)

achteruit

b)

grijsaard

c)

klokhuis

d)

verdelen

7.

Een argument herken je vaak aan:

a)

signaalwoorden

b)

de inhoud

c)

de bronnen die genoemd worden

d)

de expertise van de auteur

8.

Mening of feit: 'Deze les is vermoeiend.'

a)

feit

b)

mening

9.

Feit of mening? 'Recyclen is goed voor het milieu'

a)

mening

b)

feit

10.

Een feit is:

a)

iets wat waar is

b)

iets wat niet waar is

c)

iets wat waar of niet waar is

d)

iets wat iemand vindt

11.

Iets wat je kunt controleren noemen we een:

a)

feit

b)

mening

c)

standpunt

d)

argument

12.

Welke uitspraken zijn feiten?

a)

Honden zijn zoogdieren

b)

Honden zijn gevaarlijk

c)

Honden zijn lief

d)

Honden zijn vleeseters

e)

Honden kunnen ziektes overbrengen

13.

Welke uitspraken zijn meningen?

a)

Iedereen moet gratis kunnen studeren

b)

Studeren kan een flinke kostenpost zijn

c)

Iedere student zou zijn eigen studie moeten betalen

d)

Studeren kan in de meeste Nederlandse steden

14.
Kies het juiste verwijswoord:
Hun/zij hebben geen kinderen.
a)
hun
b)
zij
15.

Ik wil je ............ boek geven

a)

mij

b)

ik

c)

mijn

16.

Dat schrift is van..............

a)

jou

b)

jouw

c)

je

17.

Dat is ..............antwoord

a)

mij

b)

mijn

c)

jou

d)

ik

18.

..... favoriete kleur is blauw

a)

Mij

b)

Ik

c)

Mijn

d)

Jou

19.

De koekjes zijn van ............

a)

mijn

b)

jouw

c)

jou

d)

zij

20.

Is dat..........huiswerk?

a)

zij

b)

hem

c)

haar

d)

jou

21.

Is die telefoon van ..........

a)

hem

b)

hij

c)

zijn

d)

mijn

22.

Ik eet .............brood snel op.

a)

mij

b)

mijn

c)

hem

d)

wij

23.

Ik vind ..............naam mooi!

a)

hem

b)

haar

c)

jou

d)

mij

24.

Het is .............leven!

a)

mij

b)

ik

c)

wij

d)

mijn

25.

Zijn die spullen van ...............?

a)

jullie

b)

zijn

c)

jouw

d)

mijn

26.

Dat compliment is voor ............

a)

jouw

b)

jou

c)

mijn

d)

wij

27.

Dat is niet jouw boek! Dat is ..........boek.

a)

hem

b)

zijn

c)

mij

d)

jou

28.

Ik ga naar .................huis.

a)

mij

b)

hem

c)

jou

d)

zijn

29.

Dit is ..............school!

a)

ons

b)

onze

c)

mij

d)

jou

30.

Wat is het verkleinwoord van... kast?

a)

kastje

b)

kasttje

c)

kastetje

31.

Wat is het verkleinwoord van... accent?

a)

accenteje

b)

accentje

c)

accenje

32.

Wat is het verkleinwoord van... zin?

a)

zinnetje

b)

zinkje

c)

zintje

33.

Wat is het verkleinwoord van... sleutel?

a)

sleutelkje

b)

steutelje

c)

sleuteltje

34.

Wat is het verkleinwoord van... stroom?

a)

strometje

b)

stroompje

c)

stroomptje

35.

Wat is het verkleinwoord van... rol?

a)

roltje

b)

rolletje

c)

rolje

36.

Wat is het verkleinwoord van... stam?

a)

stampje

b)

stamtje

c)

stammetje

37.

Wat is het verkleinwoord van... pauze?

a)

pausje

b)

pauzetje

c)

pauzeje

38.

Wat is het verkleinwoord van... lila?

a)

lilatje

b)

lilaatje

c)

lila'tje

39.
Wat is het verkleinwoord van opa?
a)
opa'je
b)
opatje
c)
opa'tje
d)
opaatje
40.
Wat is het verkleinwoord van cd?
a)
cdtje
b)
cd'je
c)
cd'tje
d)
cdje