wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heten de kiezen van koeien?

a)

Plooikiezen

b)

Knobbelkiezen

c)

Maalkiezen

d)

Platte kiezen

e)

Knipkiezen

2.

Heeft een koe of een leeuw de kortste darmen?

a)

Een koe

b)

Een leeuw

3.

Ons voedsel wordt verteerd in het spijsverteringskanaal. Dat begint bij je mond en eindigt bij je anus.

Welke voedingsstof wordt als eerste verteerd?

a)

Eiwit

b)

Zetmeel

c)

Vet

d)

Water

e)

Speeksel

4.

Wat gebeurt er met voedingsstoffen die verteerd zijn?

a)

Die poep je uit

b)

Die gaan je bloed in

c)

Die worden gedood door maagzuur

d)

Die worden geemulgeerd

5.

Hoe heet het stofje in verteringssap dat scheikundige reacties versnelt?

a)

enzym

b)

indicator

c)

gal

d)

slijm

e)

helder kalkwater

6.

Waarvoor dienen de zure stoffen in maagsap?

a)

Vetten emulgeren

b)

Cellulose afbreken tot glucose

c)

Bacteriën doden

d)

De voedselbrij goed laten mengen

e)

De oppervlakte van het voedsel vergroten

7.

We hebben een dunne en een dikke darm.

In welke van de twee worden de meeste voedingsstoffen verteerd?

a)

In de dunne darm

b)

In de dikke darm

8.

De bacteriën in de dikke darm verteren een stof die een mens niet zelf kan verteren. Welke stof is dat?

a)

Zetmeel

b)

Zink

c)

Jodium

d)

Maizena

e)

Cellulose

9.

Iemand heeft een lever die niet goed werkt.

Zal deze persoon dikker of dunner worden?

a)

Dikker

b)

Dunner

10.

Hoe komt het dat je gepasteuriseerde melk in de koelkast moet bewaren?

a)

Daar vermenigvuldigen bacteriën zich minder snel

b)

Daar gaan alle bacteriën dood

c)

Om te voorkomen dat er nieuwe bacteriën van buitenaf in het pak komen

11.

De probleemstelling van een onderzoek is: Wat gebeurt er met zetmeel als er speeksel bij komt?

Vraag: Welke indicator ga je gebruiken bij dit onderzoek?

a)

Reagens

b)

Helder kalkwater

c)

Jood-oplossing

d)

Koolhydraat

e)

Water

12.

Je gebruikt een indicator om zetmeel aan te tonen. Welke kleur heeft zetmeeloplossing met de indicator erbij?

a)

wit

b)

doorzichtig

c)

paars

d)

troebel

13.

Een probleemstelling is: 'Wat gebeurt er met zetmeel als er speeksel bij komt?'

Wat is de conclusie van dit onderzoek?

a)

Het zetmeel zal worden verteerd door het speeksel

b)

Het speeksel zal worden verteerd door het zetmeel

c)

Het wordt paars van kleur

d)

De paarse kleur verdwijnt langzaam

e)

Het wordt heel vies

14.

Waaruit bestaat tandplak?

a)

Speeksel en tandsteen

b)

Bacteriën, speeksel en etensresten

c)

Bacteriën en schimmels

d)

Etensresten en water en speeksel

15.

Hoe kan een gaatje ontstaan?

a)

Scherpe stukjes in je eten slijten je tandglazuur af

b)

Bacteriën maken van zuur suiker en dat tast je tanden aan

c)

Als tandplak in tandsteen veranderd ontstaat er een gaatje

d)

Zuren lossen je tandglazuur op

16.

Stelt lijn P of lijn Q de vertering van eiwit voor?

a)

lijn P

b)

lijn Q

17.

Op het plaatje staat een tekening van de onderkaak van een gorilla.

Wat is de tandformule van deze onderkaak?

a)

5.1.4-4.1.5

b)

4.2.10

c)

2.1.5-5.1.2

d)

5.1.2-2.1.5

18.

Welk orgaan wordt er in het plaatje aangegeven met nummer 6?

a)

Lever

b)

Alvleesklier

c)

Galblaas

d)

Maag

19.

Welk orgaan wordt er op het plaatje aangegeven met nummer 8?

a)

Lever

b)

Alvleesklier

c)

Galblaas

d)

Maag

20.

Kijk naar het etiket. Hoeveel energie krijg je naar binnen als je een glas melk van 200 ml drinkt?

a)

47 kcal

b)

94 kcal

c)

300 kJ

d)

3 g vet

21.

Tot welke groep van voedingsstoffen behoort calcium?

a)

Koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

mineralen

22.

Waar vindt darmperistaltiek plaats?

a)

Alleen in de slokdarm.

b)

Alleen in de dikke darm en in de slokdarm.

c)

Alleen in de dikke darm en in de twaalfvingerige darm.

d)

In de dikke darm, in de slokdarm en in de twaalfvingerige darm.

23.

Welke functies vervullen mineralen in je lichaam?

a)

de functies van bouwstoffen en beschermende stoffen

b)

de functies van bouwstoffen en reservestoffen

c)

de functies van brandstoffen en beschermende stoffen

d)

de functies van brandstoffen en reservestoffen

24.

Iemands darmvlokken van zijn dunne darm zijn kapot. Wat is hiervan een gevolg?

a)

Hij neemt minder zuurstof op in zijn bloed

b)

hij kan zetmeel slechter verteren

c)

hij neemt minder vitaminen op in zijn bloed

d)

hij kan moeilijker poepen

25.

Marit slikt antibiotica. Hierdoor gaan veel bacterien dood. Welke stof zal er nu MINDER in haar bloed terechtkomen?

a)

zuurstof

b)

cellulose

c)

voedingsvezel

d)

glucose