wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinnen ontleden (1)

Total questions: 25

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Johan roert zijn chocomel met een lepeltje.


Wat is de persoonsvorm?

a)

Johan

b)

roert

c)

zijn chocomel

d)

met een lepeltje

2.

Johan roert zijn chocomel met een lepeltje.


Wat is het onderwerp?

a)

Johan

b)

roert

c)

zijn chocomel

d)

met een lepeltje

3.

Johan roert zijn chocomel met een lepeltje.


Wat is het gezegde?

a)

Johan

b)

roert

c)

zijn chocomel

d)

met een lepeltje

4.

Johan roert zijn chocomel met een lepeltje.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Johan

b)

roert

c)

zijn chocomel

d)

met een lepeltje

5.

Zij bezoekt haar oma nooit.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Zij

b)

bezoekt

c)

haar oma

d)

nooit

6.

Kelly heeft een snoepje gegeten.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Kelly

b)

heeft

c)

een snoepje

d)

gegeten

7.

Mijn nichtje speelt een grappig spel met haar poppen.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Mijn nichtje

b)

speelt

c)

een grappig spel

d)

met haar poppen

8.

Mijn zus heeft aan ons een groot cadeau gegeven.


Wat is de persoonsvorm?

a)

Mijn zus

b)

heeft

c)

aan ons

d)

een groot cadeau

e)

gegeven

9.

Mijn zus heeft aan ons een groot cadeau gegeven.


Wat is het onderwerp?

a)

Mijn zus

b)

heeft gegeven

c)

aan ons

d)

een groot cadeau

10.

Mijn zus heeft aan ons een groot cadeau gegeven.


Wat is het gezegde?

a)

Mijn zus

b)

heeft gegeven

c)

aan ons

d)

een groot cadeau

11.

Mijn zus heeft aan ons een groot cadeau gegeven.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Mijn zus

b)

heeft gegeven

c)

aan ons

d)

een groot cadeau

12.

Mijn zus heeft aan ons een groot cadeau gegeven.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

Mijn zus

b)

heeft gegeven

c)

aan ons

d)

een groot cadeau

13.

Hij geeft zijn vader een boek.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

Hij

b)

geeft

c)

zijn vader

d)

een boek

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

14.

Kyran kocht voor zijn buurmeisje een step.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

Kyran

b)

kocht

c)

voor zijn buurmeisje

d)

een step

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

15.

Oma laat haar huis na aan haar kleinkinderen.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

Oma

b)

laat na

c)

haar huis

d)

aan haar kleinkinderen

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

16.

De koerier levert een bestelling aan de buurman.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

De koerier

b)

levert

c)

een bestelling

d)

aan de buurman

e)

Er zit geen lijdend voorwerp in deze zin.

17.

De koerier levert een bestelling aan de buurman.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

De koerier

b)

levert

c)

een bestelling

d)

aan de buurman

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

18.

De ouders van Maaike schonken haar een nieuwe auto.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

De ouders van Maaike

b)

schonken

c)

haar

d)

een nieuwe auto

e)

Er zit geen lijdend voorwerp in deze zin.

19.

De ouders van Maaike schonken haar een nieuwe auto.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

De ouders van Maaike

b)

schonken

c)

haar

d)

een nieuwe auto

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

20.

De huisarts geeft Rowen een griepprik.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

De huisarts

b)

geeft

c)

Rowen

d)

een griepprik

e)

Er zit geen lijdend voorwerp in deze zin.

21.

De huisarts geeft Rowen een griepprik.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

De huisarts

b)

geeft

c)

Rowen

d)

een griepprik

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

22.

Neeltje heeft met Anouk drop gekocht.


Wat is het lijdend voorwerp?

a)

Neelje

b)

heeft gekocht

c)

met Anouk

d)

drop

e)

Er zit geen lijdend voorwerp in deze zin.

23.

Neeltje heeft met Anouk drop gekocht.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

Neeltje

b)

heeft gekocht

c)

met Anouk

d)

drop

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

24.

De meester gaf ons een compliment.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

De meester

b)

gaf

c)

ons

d)

een compliment

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.

25.

De moeder vertelde haar zoon een mooi verhaal.


Wat is het meewerkend voorwerp?

a)

De moeder

b)

vertelde

c)

haar zoon

d)

een mooi verhaal

e)

Er zit geen meewerkend voorwerp in deze zin.