wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Les 1 werkwoordspelling

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Niemand (begrijpen) dat.

a)

begrijpdt

b)

begrijpd

c)

begrijpt

d)

begrijp

2.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in.

Kies uit: -t, -d of -dt

Het wonen in een stad (bieden) velen voordelen.

a)

biedt

b)

biet

c)

bied

d)

bieden

3.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Welke auto (vinden) jij het mooist?

a)

vint

b)

vindt

c)

vinden

d)

vind

4.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Tamar (lopen) naar de buurvrouw.

a)

loopd

b)

lopen

c)

loopt

d)

loopdt

5.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Buiten (branden) de autolamp van buurman Peter

a)

brandt

b)

branden

c)

brant

d)

brand

6.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Een beroemde pianist (begeleiden) de zangeres.

a)

begeleid

b)

begeleit

c)

begeleidt

d)

begeleidd

7.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Het elftal (trainen) iedere dag voor de wedstrijd.

a)

trainen

b)

traindt

c)

traind

d)

traint

8.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Door welke chirurg (worden) je geopereerd.

a)

wordt

b)

word

c)

wort

d)

worden

9.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

Hij (vertrouwen) zijn gasten.

a)

vertrouwdt

b)

vertrouwen

c)

vertrouwd

d)

vertrouwt

10.

Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in

Kies uit: -t, -d of -dt

(houden) jij van pizza?

a)

houd

b)

houdt

c)

hout

d)

houden

11.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Wij (kunnen, tt) lekkere taartjes maken.

a)

kan

b)

kunnen

c)

gekund

d)

kunt

12.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Jij (hebben, tt) echt een leuke hamster gekregen.

a)

hebt

b)

had

c)

hebben

d)

heeft

13.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Jij (zijn, tt) het meisje van mijn dromen.

a)

bent

b)

was

c)

waren

d)

is

14.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Wij (mogen, tt) dit weekend naar het strand.

a)

gemogen

b)

mag

c)

mochten

d)

mogen

15.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


(Zijn, tt) jij verliefd op Martijn?

a)

Zijn

b)

Is

c)

Ben

d)

Waren

16.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


(willen, vt) jij altijd al een roze auto?

a)

Wil

b)

Wilde

c)

Wilden

d)

wilt

17.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Wij (kunnen, vt) altijd al goed zwemmen.

a)

kunnen

b)

gekund

c)

kan

d)

konden

18.

Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen


Hij (zullen, vt) morgen naar de verjaardag gaan.

a)

zult

b)

zal

c)

zou

d)

zouden