WorksheetsLes 1 werkwoordspelling
Total questions: 18
Worksheet time: 9mins
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Niemand (begrijpen) dat.
begrijpdt
begrijpd
begrijpt
begrijp
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in.
Kies uit: -t, -d of -dt
Het wonen in een stad (bieden) velen voordelen.
biedt
biet
bied
bieden
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Welke auto (vinden) jij het mooist?
vint
vindt
vinden
vind
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Tamar (lopen) naar de buurvrouw.
loopd
lopen
loopt
loopdt
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Buiten (branden) de autolamp van buurman Peter
brandt
branden
brant
brand
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Een beroemde pianist (begeleiden) de zangeres.
begeleid
begeleit
begeleidt
begeleidd
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Het elftal (trainen) iedere dag voor de wedstrijd.
trainen
traindt
traind
traint
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Door welke chirurg (worden) je geopereerd.
wordt
word
wort
worden
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
Hij (vertrouwen) zijn gasten.
vertrouwdt
vertrouwen
vertrouwd
vertrouwt
Vul de juiste vorm van de persoonsvorm in
Kies uit: -t, -d of -dt
(houden) jij van pizza?
houd
houdt
hout
houden
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Wij (kunnen, tt) lekkere taartjes maken.
kan
kunnen
gekund
kunt
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Jij (hebben, tt) echt een leuke hamster gekregen.
hebt
had
hebben
heeft
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Jij (zijn, tt) het meisje van mijn dromen.
bent
was
waren
is
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Wij (mogen, tt) dit weekend naar het strand.
gemogen
mag
mochten
mogen
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
(Zijn, tt) jij verliefd op Martijn?
Zijn
Is
Ben
Waren
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
(willen, vt) jij altijd al een roze auto?
Wil
Wilde
Wilden
wilt
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Wij (kunnen, vt) altijd al goed zwemmen.
kunnen
gekund
kan
konden
Vul de juiste vorm in van hebben, kunnen, mogen, worden, zullen of mogen
Hij (zullen, vt) morgen naar de verjaardag gaan.
zult
zal
zou
zouden
