wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stevigheid bs 1-4

Total questions: 32

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welk bot is gebroken?

a)

Vingerkootje

b)

Handwortelbeentje

c)

Middenhandsbeentje

2.

Welke onderdelen behoren tot de borstkas?

a)

Borstbeen

b)

Schouderblad

c)

Borstwervels

d)

Ribben

e)

Sleutelbeen

3.

Wat voor soort weefsel wordt tijdens de operatie op plaats Q verwijderd?

a)

kraakbeenweefsel

b)

spierweefsel

c)

zenuwweefsel

d)

beenweefsel

4.
hoe heeft het bot in je bovenarm?
a)
bovenarmbeen
b)
opperarmbeen
c)
bovenbeen
5.
welke organen worden door de de ribbenkast beschermt?
a)
hart
b)
longen
c)
hart en longen
6.
wat zijn de bestanddelen van bot
a)
lijmstof
b)
kalkstof
c)
lijmstof en kalkstof
d)
secondelijm
7.
oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
8.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
9.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
10.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
11.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
12.
Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
13.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
14.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
15.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof
16.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
17.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
18.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
19.

Als je een spier aanspant wordt de spier:

a)

Langer en dikker

b)

Langer en dunner

c)

Korter en dikker

d)

Korter en dunner

20.

Wat is een ander woord voor ruggengraat?

a)

Wervelkolom

b)

Lendenwervel

c)

Halswervel

d)

Borstwervel

21.

Aan welke kant bij de hand zit de ellepijp vast?

a)

De duim

b)

De pink

22.

Welk deel van het gewricht zorgt ervoor dat deze goed op zijn plek blijft?

a)

Laagje kraakbeen

b)

Kapselbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Gewrichtskogel

23.

Waarmee zit een spier vast aan het bot?

a)

Kapselband

b)

Aanhechtingsplaats

c)

Spier

d)

Pees

24.

Welke vorm heeft de ruggengraat?

a)

Dubbele S vorm

b)

Enkele S vorm

c)

Dubbele C vorm

d)

Enkele C vorm

25.

Welke persoon breekt sneller een bot als hij valt?

a)

Een baby

b)

Een kind

c)

Een volwassene

d)

Een oudere

26.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

27.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

28.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

29.

Vijf voorbeelden van botten zijn: borstbeen - dijbeen - onderkaak - sleutelbeen - lendenwervels. wat is de goede volgorde van beneden naar boven in het skelet?

a)

sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, onderkaak, dijbeen

b)

onderkaak, borstbeen, sleutelbeen, lendenwervels, dijbeen

c)

onderkaak, sleutelbeen, borstbeen, lendenwervels, dijbeen

d)

dijbeen, lendenwervels, borstbeen, sleutelbeen, onderkaak

30.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

31.

Welke twee onderdelen zorgen ervoor dat een gewricht soepel beweegt?

a)

het kraakbeenlaagje en het gewrichtskapsel

b)

de gewrichtskom en de gewrichtskogel

c)

gewrichtssmeer en het kraakbeenlaagje

d)

de kapselband en het gewrichtssmeer

32.

Welke uitspraak over spieren en pezen is waar? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

zowel spieren als pezen kunnen samentrekken

b)

de triceps is een voorbeeld van een skeletspier

c)

spiertjes in de wand van je darmkanaal zijn gladde spieren

d)

het nut van spieren is: een beweging tot stand brengen