wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Energie zit overal

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.
Alle producten die je eet of drinkt noem je
a)
Voedingsproducten
b)
Voedsel
c)
Voedingsmiddelen
2.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

3.

Een ei hoort bij ........................voedingsmiddelen

a)

plantaardige

b)

dierlijke

4.
Onder beschermende stoffen vallen de 
a)
Koolhydraten en vetten
b)
mineralen en vitaminen
c)
Water en vitaminen
d)
Vitaminen en voedingsstoffen
5.

Koolhydraten en vetten zijn........................(meerdere antwoorden aanvinken)

a)

bouwstoffen

b)

beschermende stoffen

c)

reservestoffen

d)

brandstoffen

6.

Waarvoor heeft je lichaam bouwstoffen nodig?

a)

voor het leveren van energie

b)

voor groei, ontwikkeling en herstel

c)

voor het beschermen van het lichaam tegen ziekten

d)

voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur

7.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
8.

Voedingsstoffen zijn...

a)

eten en drinken

b)

belangrijke bestanddelen van voedingsmiddelen

c)

je dagelijks patroon van eten en drinken

9.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen voor de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam)

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

10.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen zorgen voor de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam)

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

11.

Welke beschrijving past het beste bij: Deze stoffen leveren energie voor beweging, het op peil houden van de temperatuur en groei, ontwikkeling & herstel

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Reservestoffen

d)

Beschermende stoffen

12.

Tik de 2 voedingsstoffen aan die niet verteerd hoeven te worden en dus meteen kunnen worden opgenomen in het bloed.

a)

Glucose

b)

Water

c)

Koolhydraten

d)

Eiwitten

13.

Tik de 2 voedingsstoffen aan die wel verteerd moeten worden en dus niet meteen opgenomen kunnen worden in het bloed

a)

Vetten

b)

Eiwitten

c)

Glucose

d)

Mineralen

14.

Welke voedingsstof past het beste bij: vooral brandstof maar ook bouwstof en bij een teveel als reservestof. Ze worden opgeslagen onder de huid.

a)

Eiwitten

b)

Koolhydraten

c)

Vetten

d)

Mineralen

15.

De mens maakt voor de mensen en dieren een heel belangrijke stof.

Dit is:

a)

koolstofdioxide

b)

water

c)

licht

d)

zuurstof

16.

De energie die wij krijgen als we plantaardig voedsel eten komt eigenlijk van ...

a)

het water

b)

de koolstofdioxide

c)

de zon

d)

het bladgroen

17.
Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?
a)

lucht, water, koolstofdioxide

b)

licht, ranja, koolstofdioxide

c)
licht, water, bloemkool
d)

licht, water, koolstofdioxide

18.
Hoe heten de kleine openingen in de bladeren?
a)

Longblad

b)

Bladlong

c)

Bladkieuwen

d)
huidmondjes
19.
Wat doen de huidmondjes?
a)

Ze halen koolstofdioxide uit de lucht

b)
Ze ademen
c)
hoesten
d)

Ze halen lucht uit de koolstofdioxide

20.
Fotosynthese is:
a)

Dat de plant voedsel maakt uit water, licht en koolstofdioxide

b)
Dat de plant een winterslaap houdt
c)
Dat de plant hongerig is
d)
Dat de pant voedel maakt uit zijn eigen afval
21.

Wat is een voedselketen?

a)

Een keten van voedingsstoffen

b)

Een keten van organismen die opeenvolgend elkaar eten

c)

Organismen

d)

Een broodje

22.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
23.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
24.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
25.
Een rups is ...
a)
autotroof.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
omnivoor.
d)
een producent.
26.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
27.
Wat hoort er bij nr 1 te staan?
a)
dierlijke eiwitten
b)
afvalstoffen
c)
verbranding
d)
stikstofzouten
28.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel