Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mondriaan18-9

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
  1. Het onderwerp = 1 woord

2. Hoofdgedachte = 1 zin (het belangrijkste, staat vaak aan het begin)

a)

Regel 1 is waar

b)

Regel 2 is waar

c)

Beide regels zijn waar

2.

Uit de krant van vanmorgen:

Om tweede coronagolf te breken, komen er strengere regels voor Den Haag en andere grote steden. "Maar we kunnen geen wachters voor de stadspoort zetten.’’

Het onderwerp kan zijn:

a)

Corona

b)

Strengere regels voor Den Haag om de tweede coronagolf te breken

3.

Ik mis mijn kroeg. Ik mis mijn feestjes. Ik mis mijn parenclub", schrijft Sjaak Bral in AD.NL

a)

Een feit

b)

Een mening

4.

Uit AD.NL:

Het regende gisteren annuleringen van Duitsers die een weekendje nazomeren hadden geboekt in Scheveningen

Regende?

a)

Letterlijk taalgebruik

b)

Figuurlijk taalgebruik

5.

(je hebt extra leestijd!)

Vanavond komt minister-president Rutte met een pakket nieuwe maatregelen omdat het aantal corona-besmettingen snel groeit. Naar verwachting geldt dan voor Den Haag ‘alarmfase oranje’ en mag de stad alleen nog bezocht worden door mensen die er strikt noodzakelijk moeten zijn.

Tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Overhalen

d)

Overtuigen

6.

,,Als de horeca eerder dicht moet, zou dat zelfs averechts kunnen werken.’’ Jongeren gaan dan thuis bij elkaar klitten.

Averechts?

a)

Moeilijke woorden begrijp je door verder te lezen (of terug te lezen)

b)

De betekenis van moeilijke woorden is niet te achterhalen

7.

In de Troonrede heeft de Koning de plannen van de regering uitgelegd.

Tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Overtuigen

d)

Instrueren

8.

Rico Verhoeven zette zijn auto woensdagavond even neer op een strook voor voetgangers in Dordrecht. Hij werd niet bekeurd en dat leverde veel kritiek op. © AD


Is dit betrouwbare informatie?

a)

Ja

b)

Nee

9.

De dagen na de Troonrede (dus nu!) is de Tweede Kamer druk met de Algemene Beschouwingen.

Sprekers sluiten hun verhaal (hun tekst) vaak af met:

a)

Een samenvatting van wat ze gezegd hebben

b)

Een conclusie

c)

Beide antwoorden zijn juist

10.

In Marokko wordt geschokt gereageerd op de gewelddadige dood van een 11-jarige jongen in Tanger. Adnane Bouchouf werd ontvoerd, verkracht en gedood door een man van 24 die in de buurt woonde. De dader heeft de feiten bekend. In Marokko klinkt de roep steeds luider om hem de doodstraf te geven.

a)

Letterlijk taalgebruik (je hoort het!)

b)

Figuurlijk taalgebruik (alsof je iedereen hoort roepen)

11.

Na vijf seconden stilte hoor je de koning praten in de Troonrede.

Gebruik de stilte om te bedenken wat je gaat horen.

a)

Dat noemen we gericht luisteren

b)

Dat noemen we globaal luisteren

12.

Een goede schrijver zorgt ervoor dat de zinnen logisch aan elkaar vast zitten.

We noemen dat:

a)

Tekstverbanden

b)

Signaalwoorden

13.

Signaalwoorden laten zien waar twee zinnen aan elkaar zijn verbonden. Voorbeeld:

Jan loopt. Jan denkt na.

Jan loopt en denkt na.

En geeft het signaal dat er een tekstverband bestaat, we noemen het tekstverband dat en aangeeft:

a)

Conclusie

b)

Opsomming

14.

TU Delft vandaag tot studenten:

‘Kom tussen 8 uur ‘s ochtends en 12 uur ‘s middags niet in de supermarkt!’

Tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Instrueren