wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 4 havo 4 vwo

Total questions: 25

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Een populatie is:

a)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

b)

een groep van dezelfde soort in een bepaald gebied die kunnen voortplanten

c)

alle abiotische en biotische factoren samen

d)

verschillende organismen in een gebied

2.

een ecosysteem is groter dan een levensgemeenschap

a)

niet waar

b)

waar

3.

Het hart is een voorbeeld van

a)

een weefsel

b)

organenstelsel

c)

organisme

d)

orgaan

4.

Een eigenschap die nog niet aanwezig is dan in lager organisatieniveau noem je (a)  

5.

welk soort weefsel bedekt uitwendige en inwendige lichaamsdelen?

a)

zenuwweefsel

b)

spierweefsel

c)

dekweefsel

6.

Wat geeft nummer 6 aan?

a)

celkern

b)

mitochondrium

c)

chloroplast

d)

lysosoom

7.

In welk deel van de cel vind je chromosomen?

a)

celkern

b)

mitochonrium

c)

vacuole

d)

ribosoom

8.

Hoe noem je het proces wat je in de afbeelding ziet?

a)

diffusie

b)

fagocytose

c)

endocytose

d)

osmose

9.

In de afbeelding zie je turgor in een plantencel, welke bewering hierover is juist?

a)

Bij turgor is de osmotische waarde in de cel lager dan die erbuiten

b)

Bij turgor laat het celmembraan los van de celwand

c)

bij turgor is de osmotische waarde in de cel hoger dan die erbuiten

d)

Turgor komt ook voor in dierlijke cellen

10.

Hoe heet het verschijnsel in de afbeelding?

a)

excretie

b)

diffusie

c)

lysis

d)

plasmolyse

11.

In een wetenschappelijk onderzoek heet een verwachting ook wel:

a)

discussie

b)

onderzoeksvraag

c)

resultaten

d)

hypothese

12.

Welk organel maakt eiwitten

a)

ribosoom

b)

Golgiapparaat

c)

celkern

d)

lysosoom

13.

Welk organel zul je veel vinden in een spiercel en waarom?

4 lines
14.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

15.

De hoeveelheid licht die op een preparaat valt, regel je met

a)

de grote stelsschroef

b)

objectief

c)

diafragma

d)

oculair

16.

Wat is een kenmerk van passief transport?

a)

het kost energie

b)

gaat tegen het concentratieverschil in

c)

gaat van een hoge naar een lage concentratie

d)

kan alleen in plantencellen

17.

Wat is waar?

a)

water kan zomaar door het celmembraan zonder speciaal eiwit

b)

transport via een blaasje de cel in noemen we exocytose

c)

fagocytose is een vorm van endocytose

d)

het golgiapparaat helpt mee met exocytose

18.

Wat heb je nog nodig voor de voorbereiding van je toets?

4 lines
19.

Hoe heet het orgaan dat is aangegeven met nummer 5?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Lever

d)

Maag

20.

Bij welk orgaanstelsel past de volgende omschrijving?


Heeft als functie (taak) het voedsel kleiner maken.

a)

Het ademhalingsstelsel

b)

Het bloedvatenstelsel

c)

Het beenderstelsel

d)

Het verteringsstelsel

21.

De neus, de mond, de luchtpijp en de longen vormen samen het:

a)

ademhalingsstelsel

b)

beenderstelsel

c)

verteringsstelsel

d)

spierstelsel

22.

Deze organen heten...

a)

darmen

b)

ribben

c)

levers

d)

nieren

23.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van KLEIN naar GROOT?

a)

weefsels - cellen - orgaanstelsels - organen

b)

weefsels - organen - orgaanstelsels - cellen

c)

cellen - organen - weefsels - orgaanstelsels

d)

cellen - weefsels - organen - orgaanstelsels

24.

Planten zijn heel belangrijke organismen. Zij zijn in staat om zuurstof en voeding in de vorm van glucose te maken. Dit proces heet..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

25.
Wat is een weefsel?
a)
een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
cellen die delen
c)
een groep cellen met een verschillende vorm