wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Persoonsvorm

Total questions: 20

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Hoe vind je de persoonsvorm?

a)

Door de zin vragend te maken. Het eerste woord dat vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.

b)

Door de zin in een andere tijd te zetten. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

2.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De kinderen hebben gisteren niet buiten gespeeld.

a)

kinderen

b)

gespeeld

c)

hebben

d)

buiten

3.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Morgen gaan mijn moeder en ik cupcakes bakken.

a)

bakken

b)

gaan

c)

mijn moeder

d)

cupcakes

4.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De meester krijgt een cadeautje van de leerlingen.

a)

krijgt

b)

de meester

c)

een cadeautje

5.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Hoe lang duurt deze film?

a)

hoe

b)

lang

c)

duurt

d)

deze film

6.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Ik draag een badpak wanneer ik ga zwemmen.

a)

ik, draag

b)

draag, ga

c)

ga, zwemmen

d)

draag

7.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Mijn fiets is gisteren gestolen.

a)

Mijn fiets

b)

is

c)

gisteren

d)

gestolen

8.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Zaterdagavond danste ik op een liedje van Bruno Mars.

a)

Bruno Mars

b)

zaterdagavond

c)

danste

d)

liedje

9.

Wat is de persoonsvorm in de zin: We hebben gisteren een leuke film op Netflix gekeken.

(a)  

10.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Op tafel ligt een doos chocolade.

(a)  

11.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Twee weken geleden zouden we naar Amerika gaan.

(a)  

12.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Wanneer krijg je een nieuwe auto?

(a)  

13.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Ed Sheeran wil een nieuwe cd uitbrengen.

(a)  

14.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De herfstvakantie begint over een week.

(a)  

15.

Wat is de persoonsvorm in de zin: In de klas mogen we niet eten.

(a)  

16.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Zullen we in de vakantie samen gaan lunchen?

(a)  

17.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De brandweermannen doen hun best om het vuur te blussen.

(a)  

18.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De toets van vorige week was best moeilijk.

(a)  

19.

Wat is de persoonsvorm in de zin: De buurvrouw heeft mij leren koken.

(a)  

20.

Wat is de persoonsvorm in de zin: Hoe hard kun jij rennen?

(a)