Font size
Worksheetsgrammatica 3.7
Total questions: 27
Worksheet time: 13mins
een persoonlijk voornaamwoord staat vaak in de plaats van een zelfstandig naamwoord
juist
onjuist
Het bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is. Het staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.
juist
onjuist
Gisteren hebben wij een toets gemaakt.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
betrekkelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Daarom mogen jullie vaak met de bus naar school.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Heb je mijn nieuwe bril al gezien?
je
al
mijn
gezien
Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Dat zijn onze jassen.
dat
onze
jassen
zijn
Schrijf de bezittelijke voornaamwoorden op:
Ik heb de spelcomputer van jouw zusje geleend, maar ze wil haar spelcomputer graag terug.
(a)
Geef de bezittelijke voornaamwoorden:
Mijn kamer is een grote bende, terwil=jl zijn kamer erg schoon is.
mijn, zijn
mijn, zijn, is
mijn
zijn
Wat is het telwoord in de zin: Ik wou dat ik vijf cavia's had.
(a)
Wat is het telwoord in de zin: Over tien minuten is de spellingles voorbij.
(a)
Wat is het telwoord in de zin: Ik heb vandaag al acht sommen voor rekenen gemaakt.
(a)
Wat is het telwoord in de zin: De Zonnewijzer heeft twee locaties.
(a)
Wat is het telwoord in de zin: Juf Machteld heeft twee zusjes.
(a)
Groep 5 heeft tweeëndertig leerlingen
Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?
Hoofdtelwoord
Rangtelwoord
Donderdag gaat groep 5 voor de derde keer gymmen.
Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?
Hoofdtelwoord
Rangtelwoord
Typ het hoofdtelwoord in:
De Vuursteen heeft meer dan vijfentwintig juffen en meesters
(a)
Vandaag wordt het zevenentwintig graden.
Wat voor soort telwoord is het onderstreepte woord?
Hoofdtelwoord
Rangtelwoord
Welk woord is hier een telwoord:
Met topografie krijgen we voor de eerste keer een toets
Topografie
keer
eerste
toets
Welk woord is hier een telwoord:
Deze week hebben we in groep 6 veel zieke kinderen.
Deze
week
veel
kinderen
Benoem hww en zww.
Ze heeft vanmorgen haar huiswerk gemaakt.
hww: heeft
zww: gemaakt
hww: -
zww: gemaakt
hww: heeft
zww: -
hww: gemaakt
zww: heeft
Benoem hww en zww.
Max vergat zijn huiswerk te maken.
hww: maken
zww: vergat
hww: -
zww: maken
hww: vergat
zww: maken
hww: vergat
zww: -
Benoem hww en zww.
In Magister stond hierover een opmerking.
hww: stond
zww: opmerking
hww: -
zww: stond
hww: opmerking
zww: stond
hww: stond
zww: -
Benoem hww en zww.
Dit was al de derde keer deze maand.
hww: -
zww: was
hww: was
zww: -
hww: maand
zww: dit
hww: -
zww: maand
Benoem hww en zww.
Morgen moet hij een uur nablijven.
hww: nablijven
zww: moet
hww: moet
zww: -
hww: moet
zww: nablijven
hww: -
zww: nablijven
Benoem hww en zww.
Hij baalt hier gigantisch van!
hww: baalt
zww: -
hww: -
zww: gigantisch
hww: gigantisch
zww: baalt
hww: -
zww: baalt
Benoem hww en zww.
Liever had hij met zijn vrienden iets afgesproken.
hww: had
zww: afgesproken
hww: had
zww: -
hww: afgesproken
zww: -
hww: afgesproken
zww: had
Benoem hww en zww.
Helaas ligt zijn mobieltje in zijn kluisje.
hww: -
zww: mobieltje
hww: ligt
zww: mobieltje
hww: ligt
zww: -
hww: -
zww: ligt
