wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BioQuiz - thema 2 - bs 2

Total questions: 32

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Op het plaatje is de bouw van een wortel te zien. Hoe heet onderdeel 1?

(a)  

2.

Op het plaatje is de bouw van een wortel te zien. Hoe heet onderdeel 2?

(a)  

3.

Op het plaatje is de bouw van een wortel te zien. Hoe heet onderdeel 3?

(a)  

4.

Hoe heet het organenstelsel van een plant dat uit alle wortels van de plant bestaat?

(a)  

5.

Welke functie van de wortel hoort bij het kenmerk: "De wortels vertakken zich sterk."

a)

Water en mineralen opnemen uit de bodem.

b)

De plant stevig vastzetten in de grond.

c)

Reservestoffen opslaan.

6.

In de winter staan er geen paardenbloemen in het gazon. In het voorjaar komen ze snel weer tevoorschijn.


Door welke functie van de wortels kunnen paardenbloemen in het voorjaar snel uitlopen?

a)

Water en mineralen opnemen uit de bodem.

b)

De plant stevig vastzetten in de grond.

c)

Reservestoffen opslaan.

7.

Een kruidachtig plantje dat een tijd geen water heeft gehad gaat slap hangen.


Met welke functie van de wortels heeft dit te maken?

a)

Water en mineralen opnemen uit de bodem.

b)

De plant stevig vastzetten in de grond.

c)

Reservestoffen opslaan.

8.

Tussen de wortels en de bladeren van een plant zitten de stengels. Welke functie(s) heeft een stengel?

a)

transport (vervoer) van stoffen

b)

stevigheid geven aan de plant

c)

reservestoffen opslaan

d)

water en mineralen uit de bodem opnemen

e)

de plant stevig vastzetten in de grond

9.

Een houtachtige plant verkrijgt stevigheid door ...

a)

voldoende water

b)

een stevige laag hout

10.

Een kruidachtige plant verkrijgt stevigheid door ...

a)

voldoende water

b)

een stevige laag hout

11.

Op de afbeelding is een blad van een boom te zien. Welk onderdeel van het blad wordt met nummer 1 aangegeven?

(a)  

12.

Op de afbeelding is een blad van een boom te zien. Welk onderdeel van het blad wordt met nummer 2 aangegeven?

(a)  

13.

Op de afbeelding is een blad van een boom te zien. Welk onderdeel van het blad wordt met nummer 3 aangegeven?

(a)  

14.

Op de afbeelding is een blad van een boom te zien. Welk onderdeel van het blad wordt met nummer 4 aangegeven?

(a)  

15.

Op de afbeelding is een blad van een boom te zien. Welk onderdeel van het blad wordt met nummer 5 aangegeven?

(a)  

16.

Kies de juiste functie(s) van een blad.

a)

Het maken van voedsel voor de plant.

b)

Glucose vervoeren van de bladeren naar andere delen van de plant.

c)

Water en mineralen vervoeren van wortels naar de andere delen van de plant.

d)

Stevigheid geven aan de plant.

17.

Een belangrijke functie van een blad is het maken van voedsel voor de plant. Met welk proces doet een plant dit?

(a)  

18.

In een stengel lopen dunne buisjes die stoffen vervoeren door de hele plant. Hoe worden zulke dunne buisjes genoemd?

a)

vaten

b)

vaatbundels

c)

vatenstelsel

19.

In een stengel lopen dunne buisjes die stoffen vervoeren door de hele plant. Deze dunne buisjes liggen in groepjes bij elkaar. Hoe noem je zo'n groepje dunne buisjes?

a)

vaten

b)

vaatbundels

c)

vatenstelsel

20.

In een stengel lopen dunne buisjes die stoffen vervoeren door de hele plant. Hoe noem je alle buisjes die in een plant liggen samen?

a)

vaten

b)

vaatbundels

c)

vatenstelsel

21.

Welk organenstelsel wordt op de foto afgebeeld?

(a)  

22.

Op de foto wordt een paardenbloem afgebeeld. Welk organenstelsel is met rood aangegeven?

(a)  

23.

Welke functie(s) horen bij het vatenstelsel van een plant?

a)

water en mineralen vervoeren van wortels naar andere delen van de plant

b)

glucose vervoeren van bladeren naar andere delen van de plant

c)

stevigheid geven aan de plant

d)

water en mineralen opnemen uit de grond

24.

Welke functie(s) horen bij het wortelstelsel van een plant?

a)

water en mineralen vervoeren van wortels naar andere delen van de plant

b)

glucose vervoeren van bladeren naar andere delen van de plant

c)

de plant stevig in de grond zetten

d)

water en mineralen opnemen uit de grond

e)

reservestoffen opslaan

25.

Tine zegt: Een plant slaat reservevoedsel op in de wortel. Daarmee kan de plant de winter doorkomen.

Rudy zegt: De plant neemt water en voedingsstoffen op en vervoert ze naar de bladeren. De stoffen worden vervoerd door vaatbundels.

Wie heeft er gelijk?

a)

Tine

b)

Beide gelijk

c)

Beide ongelijk

d)

Rudy

26.

Je eet aardappels. Je eet dus het voedsel dat de bladeren voor de plant hebben gemaakt.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

De bladeren van een plantje op de zijn slap. Wat is er aan de hand?

a)

De bladeren verdampen meer water dan de wortels opnemen.

b)

De bladeren verdampen minder water dan de wortels opnemen.

c)

De bladeren verdampen helemaal geen water meer.

28.

Welke zijde van een blad maakt meer voedsel, de onderzijde of de bovenzijde?

a)

Onderzijde

b)

Evenveel

c)

Bovenzijde

29.

In de stengels van een plant komen vaatbundels voor.

Komen vaatbundels ook in de wortels voor? En in de bladeren?

a)

Alleen in de stengels en in de bladeren komen vaatbundels voor.

b)

Alleen in de stengels en in de wortels komen vaatbundels voor.

c)

Alleen in de stengels komen vaatbundels voor.

d)

In de stengels, in de wortels en in de bladeren komen vaatbundels voor.

30.

Welke stoffen worden door de vaatbundels in een stengel voornamelijk vervoerd?

a)

water en voedingsstoffen

b)

water en koolstofdioxide

c)

suiker en zuurstof

d)

alleen water

31.

De vaatbundels vervoeren stoffen door de plant. In welke richting worden stoffen vervoerd?

a)

alleen naar boven

b)

alleen naar beneden

c)

naar boven en naar beneden

32.

Welke van deze twee planten leeft in een droge omgeving?

a)

De rechter.

b)

De linker.