Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands woordsoorten

Total questions: 27

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wie heeft dat gezegd?

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Vragend voornaamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Persoonlijk voornaamwoord

2.

Het paard loopt door de gang

a)

Zelfstandig naamwoord

b)

Lidwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

3.

Mijn ouders kopen een bos bloemen.

a)

Vragend voornaamwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bezittelijk voornaamwoord

d)

Aanwijzend voornaamwoord

4.

Op welke school zit jij?

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Aanwijzend voornaamwoord

5.

Wat voor soorten dieren zijn er?

(a)  

6.

Deze sneakers zijn afgeprijsd!

(a)  

7.

Op school leer ik veel

(a)  

8.

Wat bedoel je?

(a)  

9.

Mooie schoenen, die wil ik ook!

(a)  

10.

Welke maat schoenen heb jij?

(a)  

11.
Op school zijn repetities voor de musical Hair.
a)
musical = znw, Hair=eigennaam
b)
musical en Hair zijn allebei znw
c)
musical = bnw, want het zegt iets over Hair
12.
De meeste leerlingen komen met de fiets naar school. Hoeveel voorzetsels zitten er in deze zin?
a)
4
b)
2
c)
1
d)
Geen
13.
Wat een mooie, originele, leuke en goede boektrailers hebben jullie gemaakt!
a)
In deze zin staan veel bijvoeglijke naamwoorden.
b)
In deze zin staan vooral zelfstandige naamwoorden.
c)
Deze zin mist een voorzetsel.
14.
Een zelfstandig naamwoord kun je in het meervoud zetten en je kunt er een verkleinwoord van maken.
a)
Juist
b)
Onjuist, een zelfstandig naamwoord kan nooit een verkleinwoord zijn.
15.

In de tuin van de buren zie ik een vogel die ik nooit eerder heb gezien.
de tuin--> de=
een vogel--> een=

a)
de=bepaald lw, een=onbepaald lw
b)
Allebei onbepaalde lidwoorden.
c)
de=onbepaald lw, een=bepaald lw
16.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

17.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

18.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

19.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'kostte'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

20.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'blauwe'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

21.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'scooter'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

22.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

23.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'leeuw'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

24.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'moet'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

25.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'blijven'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

26.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

27.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'tegenstanders'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord