wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basisvormen

Total questions: 36

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Geen punten waard!

Heb je deze les lekker kunnen werken?

a)

Ja, super goed

b)

Best oké

c)

Niet echt

d)

Helemaal niet

2.

Geen punten waard!

Snap je nu hoe je de basisvorm maakt van een woord?

a)

Ja, ik zou het aan de rest uit kunnen leggen (hoeft niet hoor ;) )

b)

Het lukt me best oké

c)

Niet echt, maar ik vogel het zelf wel uit

d)

Helemaal niet, ik wil nog meer uitleg!

3.

Wat is je naam en in welke groep zit je?


Schrijf het zo op:

Pietje, 5c

4 lines
4.

Wat is de basisvorm van een woord?

a)

Altijd de kortste versie van een woord: lees, klein, aap, kind

b)

De kortste versie van een woord: school, appel, druif, behalve bij werkwoorden (heel werkwoord: rennen)

c)

Het is een verkleinwoord

d)

Zoals het in een zin word gebruikt

5.

Welke van deze woorden zijn basisvormen?

(kies er meer dan 1)

a)

Apen

b)

Rennen

c)

Streep

d)

Bruin

e)

Kleintje

6.

Welke van deze woorden zijn basisvormen?

(kies er meer dan 1)

a)

Basisvorm

b)

Groter

c)

Druif

d)

Typen

e)

Afgeleide

7.

Welke van deze woorden zijn basisvormen?

(kies er meer dan 1)

a)

Basisvormen

b)

Supermarktje

c)

Beter

d)

Oud

e)

Deur

8.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Juffen (De juffen zijn vaak online.)

(a)  

9.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Nieuwe (Ik wil een nieuwe laptop.)

(a)  

10.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Zingt (Hij zingt in de kerk.)

(a)  

11.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Ouders (Mijn ouders werken vandaag.)

(a)  

12.

Zoek de basisvorm

a)

Appels

b)

Hopen

c)

Oudere

d)

Meertje

13.

Zoek de basisvorm

a)

Jongeren

b)

Eren

c)

Schooltje

d)

Golven

e)

Piraten

14.

Zoek de basisvorm

a)

Hopeloze

b)

Pieker

c)

Prisma's

d)

Ananas

e)

Redenen

15.

Welke van deze woorden is geen basisvorm? (het is dus een afgeleide vorm)

a)

Roepen

b)

Peer

c)

Pindakaas

d)

Nieuwe

16.

Welke van deze woorden is geen basisvorm? (het is dus een afgeleide vorm)

a)

Worden

b)

Speren

c)

Sinaasappel

d)

Oud

17.

Welke van deze woorden is geen basisvorm? (het is dus een afgeleide vorm)

a)

Ren

b)

Pijl

c)

Quiz

d)

Boekjes

18.

Welke van deze woorden is geen basisvorm? (het is dus een afgeleide vorm)

a)

Batterij

b)

Houden

c)

Vragen

d)

Boeken

19.

Welke van deze woorden is geen basisvorm? (het is dus een afgeleide vorm)

a)

Groot

b)

Beter

c)

Afgeleid

d)

Boek

20.

Zoek de basisvorm

a)

Succes

b)

Mandarijnen

c)

Tomaten

d)

Basisvormpje

21.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Tomaten (Tomaten zijn fruit.)

(a)  

22.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Documenten (Documenten met tekst erin.)

(a)  

23.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Spelletjes (Ik speel graag spelletjes.)


Denk goed na!

(a)  

24.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Kindertjes (De meester riep alle kindertjes naar binnen.)


Denk goed na!

(a)  

25.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Mailtje (Ik kreeg net een mailtje van de juf.)


Denk goed na!

(a)  

26.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Kreeg (Ik kreeg net een mailtje van de juf.)


Denk goed na!

(a)  

27.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Houd (Ik houd van quizjes maken.)


Denk goed na!

(a)  

28.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Vragen (Deze quiz heeft veel vragen.)

(a)  

29.

Verander deze afgeleide vorm in een basisvorm:

Heeft (Deze quiz heeft veel vragen.)


Denk goed na!

(a)  

30.

Welk soort woord zou je in het woordenboek kunnen vinden?

a)

Afgeleide vorm

b)

Basisvorm

31.

Welke van deze woorden zou in het woordenboek kunnen staan?

a)

Woordenboek

b)

Nederlandse

c)

Zusje

d)

Roept

32.

Snel!

Hoeveel poten heeft een spin?

a)

4

b)

6

c)

8

d)

10

33.

Welke twee woorden zijn afgeleide vormen in deze zin ?


Hoeveel poten heeft een spin?

a)

Hoeveel, poten

b)

poten, heeft

c)

poten, spin

d)

een spin

34.

Welke dingen moet je aanpassen bij dit woord om er een basisvorm van te maken:


Appeltjes

a)

-tje moet weg

b)

-s moet weg

c)

Appel moet weg

d)

-pje moet weg

35.

Welke dingen moet je aanpassen bij dit woord om er een basisvorm van te maken:


Kinderen

a)

-en moet weg

b)

-eren moet weg

c)

Appel moet weg

d)

-en moet erbij

36.

Heb je nog tips voor mij?


Schrijf als je niks weet nee op.

4 lines