Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Staal spelling groep 7 blok 4

Total questions: 45

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord is fout gespeld?

a)

geïnformeerd

b)

geeërd

c)

officieel

d)

beïnvloeden

2.

Welk woord is fout gespeld?

a)

smeuig

b)

geïnteresseerd

c)

materiële

d)

beëindigen

3.

Welk woord is fout gespeld?

a)

geïllustreerd

b)

driëenzeventig

c)

financiële

d)

commerciële

4.

Welk woord is fout gespeld?

a)

tweeëndertig

b)

essentiële

c)

geinformeerd

d)

principiële

5.

Welk rijtje werkwoorden klopt niet?

a)

pakken: jij pakt- jij pakte- ik heb gepakt

b)

bieden: ik bied- ik boodt- ik heb geboden

c)

tasten: ik tast- ik tastte- ik heb getast

d)

richten: jij richt- jij richtte- ik heb gericht

6.

Welk rijtje werkwoorden klopt niet?

a)

zien: zie jij? - wij zagen - ik heb gezien

b)

verbieden: verbied jij? - wij verboden - ik heb verboden

c)

bidden: bidt jij? - wij baden - ik heb gebeden

d)

zetten: zet jij? - wij zetten - ik heb gezet

7.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Ik zie een eekhoorn in de boom.

a)

Ik

b)

zie

c)

een eekhoorn

d)

in de boom

8.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


De eekhoorn heeft een nootje.

a)

De eekhoorn

b)

heeft

c)

een nootje

d)

Deze zin heeft geen lijdend voorwerp.

9.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Het diertje bewaart een voorraad in het bos.

a)

Het diertje

b)

bewaart

c)

een voorraad

d)

in het bos

10.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Ik maak een foto van de eekhoorn.

a)

Ik

b)

maak

c)

een foto

d)

van de eekhoorn

11.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


Ik bekeek een schilderij in het museum.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

persoonsvorm

12.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


Ik wilde een detail bekijken, dus liep ik ernaartoe.

a)

lijdend voorwerp

b)

onderwerp

c)

persoonsvorm

13.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


De suppoost kwam meteen in actie.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

14.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


"Jongeman, niet zo dichtbij!" zei hij streng.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

15.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


Ik maakte toen maar een foto.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

16.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


De onderzeeër heeft vijftig bemanningsleden aan boord.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

17.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


De onderzeeër heeft vijftig bemanningsleden aan boord.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

18.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


De onderzeeër heeft vijftig bemanningsleden aan boord.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

19.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


Elk bemanningslid heeft een eigen kooi.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

20.

Wat is het onderstreepte zinsdeel?


Elk bemanningslid heeft een eigen kooi.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

21.

Hoeveel hoofdletters moeten er in deze zin?


de meester vraagt: "hoe heet het beroemdste schilderij van nederland?"

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

22.

Hoeveel hoofdletters moeten er in deze zin?


het heet de nachtwacht en hangt in het rijksmuseum.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

23.

Welke woorden moeten met een hoofdletter geschreven worden?


dat amsterdamse museum is helemaal verbouwd door twee spaanse architecten.

a)

Dat, Museum, Spaanse

b)

Amsterdamse, Spaanse, Architecten

c)

Dat, Amsterdamse, Spaanse

d)

Amsterdamse, Spaanse, Architecten

24.

Wat is het hulpwerkwoord van deze zin? Typ het.


Mijn vader is vrijwilliger geweest bij mijn Riethovense voetbalclub.

(a)  

25.

Wat is het voltooid deelwoord van deze zin? Typ het.


Mijn vader is vrijwilliger geweest bij mijn Riethovense voetbalclub.

(a)  

26.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord van deze zin? Typ het.


Mijn vader is vrijwilliger geweest bij mijn Riethovense voetbalclub.

(a)  

27.

Wat is het hulpwerkwoord van deze zin? Typ het.


Ik ben vorig jaar gestopt.

(a)  

28.

Wat is het voltooid deelwoord van deze zin? Typ het.


Ik ben vorig jaar gestopt.

(a)  

29.

Wat is het hulpwerkwoord van deze zin? Typ het.


Toch hebben ze mij een mooie kerstkaart gestuurd!

(a)  

30.

Wat is het voltooid deelwoord van deze zin? Typ het.


Toch hebben ze mij een mooie kerstkaart gestuurd!

(a)  

31.

Wat is het bijvoeglijk naamwoord van deze zin? Typ het.


Toch hebben ze mij een mooie kerstkaart gestuurd!

(a)  

32.

Welk rijtje werkwoorden klopt niet?

a)

redden: ik red - ik redde - ik heb gered

b)

antwoorden: ik antwoord - ik antwoorde - ik heb geantwoord

c)

leiden: ik leid - ik leidde - ik heb geleid

d)

melden: ik meld - ik meldde - ik heb gemeld

33.

Wel rijtje werkwoorden klopt niet?

a)

raken: ik raak - ik raakte - ik heb geraakt

b)

luiden: ik luid - ik luidde - ik heb geluid

c)

hoesten: ik hoest - ik hoeste - ik heb gehoest

d)

sprinten: ik sprint - ik sprintte - ik heb gesprint

34.

Welk woord is fout gespeld?

a)

talkshow

b)

geïllustreerd

c)

miljardair

d)

intervieuw

35.

Welk woord is fout gespeld?

a)

smeuïg

b)

tweeëndertig

c)

spektaculair

d)

essentiële

36.

Welk woord is fout gespeld?

a)

milietair

b)

champignons

c)

hygiënisch

d)

voicemail

37.

Welk woord is fout gespeld?

a)

show

b)

skiën

c)

flair

d)

driënzeventig

38.

Welk woord is fout gespeld?

a)

meubilair

b)

reünie

c)

beëindigen

d)

fantasties

39.

Welk woord is fout gespeld?

a)

archeoloog

b)

lachend

c)

chrysant

d)

chronies

40.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


In de Eerste Wereldoorlog werd gevochten in loopgraven.

(a)  

41.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


De derde winter van die oorlog was bitterkoud.

(a)  

42.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


Zoiets was er ook aan de hand in de Tweede Wereldoorlog.

(a)  

43.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


In Nederland begon die oorlog op de tiende dag van mei in 1940.

(a)  

44.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


In de Oorlogswinter, het vierde jaar van de oorlog, kwamen velen om van kou en honger.

(a)  

45.

Wat is het rangtelwoord in deze zin?


Na vijf jaar, op de vijfde dag van mei, was de oorlog voorbij.

(a)