wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Laagland herhaling H1t/m4

Total questions: 22

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip past het beste bij literaire teksten?

a)

eenduidigheid

b)

meerduidigheid

c)

oppervlakkig

d)

voorspelbaar

2.

Welk begrip wordt omschreven? 'Een klein of groter tekstgedeelte dat voor jou onduidelijk is en dat vragen bij je oproept.'

a)

alinea

b)

open einde

c)

open plek

d)

gesloten einde

3.

Op welke drie manieren kunnen literaire teksten aan jou als lezer worden gepresenteerd?

a)

fictie, non-fictie en proza

b)

poëzie, toneel en proza

c)

roman, novelle en verhaal

d)

poëzie, verhaal en non-fictie

4.

Welke koppeling klopt niet?

a)

fictie - waarheidseis

b)

non-fictie - waarheidseis

c)

prozatekst - roman

d)

gedicht - versregels

5.

In een verhaal zit een flashback. Wat weet je dan over de tijdsstructuur?

a)

die is chronologisch

b)

die is niet-chronologisch

6.

Deze verteller is merkbaar aanwezig, maar is zelf geen personage in een verhaal...

a)

de ik-verteller

b)

de personale verteller

c)

de auctoriale verteller

d)

de overbodige verteller

7.

Een ... is een herhaling van een bepaald woord of concreet object in een verhaal.

a)

thema

b)

flashback

c)

leidmotief

d)

verhaalmotief

8.

De ... geeft de tijd aan die je nodig hebt om een tekst te lezen.

a)

verteltijd

b)

vertelde tijd

c)

stopwatch

9.

Welke setting past bij een typisch detectiveverhaal?

a)
b)
c)
d)
10.

Welk personage werkt het hoofdpersonage tegen in het bereiken van zijn doel?

a)
b)
c)
d)
11.

Welk stijlfiguur herken je in deze zin: 'De twee cirkels zijn identiek hetzelfde'?

a)

pleonasme

b)

herhaling

c)

hyperbool

d)

tautologie

12.

Welk stijlfiguur herken je in deze zin: 'Tjonge, het duurt tot Kerst tot die minuut verstreken is'?

a)

retorische vraag

b)

paradox

c)

tegenstelling

d)

hyperbool

13.

Welk stijlfiguur herken je in deze zin: 'Onze afdeling heeft contacten in de Benelux, maar ook in Frankrijk, en zelfs in Amerika'?

a)

paradox

b)

herhaling

c)

opsomming (climax)

d)

opsomming (anti-climax)

14.

In welke zin herken je duidelijk alliteratie?

a)

Ik lig loom onder zomerse bomen

b)

Het ei ligt op de zijlijn

c)

De dikke dame doet aan dansen

d)

Een onbeschaamd paard spaart haren op zijn staart

15.

Op welke afbeelding zien we een alliteratie?

a)
b)
c)
d)
16.

Welke vorm van beeldspraak herken je: 'De nieuwste Hanna Bervoets lezen'?

a)

vergelijking-zonder-als

b)

personificatie

c)

metonymia

d)

metafoor

17.

Welk stijlfiguur herken je in deze poster van Loesje?

a)

herhaling

b)

retorische vraag

c)

tegenstelling

d)

paradox

18.

Welk soort poëzie zien we?

a)

vrij vers

b)

vormvast gedicht

c)

haiku

d)

limerick

19.

'De leerling was sluw als een vos.' Welke vorm van beeldspraak herken je?

a)

Vergelijking-met-als

b)

Metafoor

c)

Vergelijking-zonder-als

d)

Personificatie

20.

Welk rijmschema herken je in dit Sintgedicht?

a)

omarmend rijm

b)

gekruist rijm

c)

verspild rijm

d)

gepaard rijm

21.

Hoe noem je een strofe met zeven versregels?

a)

distichon

b)

octaaf

c)

seventet

d)

septet

22.

Hoe noem je het halverwege afbreken van een versregel waardoor er meerduidigheid ontstaat?

a)

enter

b)

enchangement

c)

jambe

d)

enjambement