wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen H6 - overheid

Total questions: 18

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is niet waar over economische groei?

a)

De totale productie in een land neemt toe.

b)

Het bbp stijgt.

c)

De werkgelegenheid neemt toe.

d)

De werkloosheid neemt toe.

2.

Wat is niet waar over een recessie?

a)

De totale productie in een land neemt af.

b)

Het nationaal inkomen krimpt.

c)

De werkgelegenheid neemt toe.

d)

Dit noemen we ook wel een economische crisis.

3.

Wat gebeurt er met de overheidsinkomsten en overheidsuitgaven als er economische groei is?

a)

De inkomsten nemen af doordat minder mensen werk hebben, en de uitgaven nemen toe omdat er meer (werkloosheids)uitkeringen betaalt moeten worden.

b)

De inkomsten nemen af doordat minder mensen werk hebben, en de uitgaven nemen af omdat er minder (werkloosheids)uitkeringen betaalt moeten worden.

c)

De inkomsten nemen toe doordat meer mensen werk hebben, en de uitgaven nemen toe omdat er meer (werkloosheids)uitkeringen betaalt moeten worden.

d)

De inkomsten nemen toe doordat meer mensen werk hebben, en de uitgaven nemen af omdat er minder (werkloosheids)uitkeringen betaalt moeten worden.

4.

Het totaal aan leningen van de overheid op een bepaald moment, noem je de...

(a)  

5.

Je betaalt dit maandelijks over je salaris.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Loonheffing

6.

Aan het einde van het jaar wordt bekeken of de juiste inhoudingen over je salaris betaald zijn. Soms moet je geld bijbetalen, soms krijg je geld terug.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Loonheffing

7.

Bepaalde kosten die je op je inkomen in mindering mag brengen, zodat je minder belasting hoeft te betalen. Bijvoorbeeld betaalde hypotheekrente.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Progressief belastingtarief

8.

Bedrag dat je bij je inkomen moet optellen als je een eigen huis bezit.

a)

Inkomstenbelasting

b)

Aftrekposten

c)

Eigenwoningforfait

d)

Progressief belastingtarief

9.

Wat is een progressief belastingtarief?

a)

Het belastingpercentage wordt hoger naarmate het inkomen toeneemt.

b)

Het belastingpercentage wordt lager naarmate het inkomen toeneemt.

c)

Het belastingpercentage is constant, maar doordat iemand meer verdient betaalt iemand al meer belasting.

d)

Dit is het tegenovergestelde van het draagkrachtbeginsel.

10.

Wat is de vermogensrendementsheffing?

a)

Het verschil tussen de inkomstenbelasting en de loonheffing.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Belasting over je inkomen

d)

Belasting over je spaargeld

11.

Wat is het heffingsvrije vermogen?

a)

Het verschil tussen de inkomstenbelasting en de loonheffing.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Een korting op het bedrag dat je in totaal aan inkomstenbelasting moet betalen.

d)

Belasting over je spaargeld

12.

Wat is het heffingskorting?

a)

Over je tweede motorvoertuig hoef je minder motorrijtuigenbelasting te betalen.

b)

Het deel van je spaargeld dat belastingvrij is

c)

Een korting op het bedrag dat je in totaal aan inkomstenbelasting moet betalen.

d)

Belasting over je spaargeld

13.

Degene die in staat is veel te betalen, moet in verhouding meer betalen.

a)

Degressief belastingtarief

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

14.

Je betaalt voor het gebruik van goederen of diensten die de overheid levert.

a)

Progressief belastingtarief

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

15.

Iedereen met een inkomen moet een deel daarvan afstaan ten behoeve van mensen zonder inkomen of met een laag inkomen.

a)

Degressief belastingtarief

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

16.

Hoe heet de belasting die je betaalt als je een auto hebt? (schrijf het begrip als 1 woord, geen spaties).

(a)  

17.

Van welk beginsel is de motorrijtuigenbelasting een voorbeeld?

a)

Welvaarsbeginsel

b)

Draagkrachtbeginsel

c)

Solidariteitsbeginsel

d)

Profijtbeginsel

18.

Wanneer de overheid maatregelen neemt waardoor de verschillen tussen arm en rijk kleiner worden, spreek je van ...

(a)