wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo 2: Bloed, Bloedvaten en Het Hart

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat bloed? (BS 1)

a)

Witte bloedcellen, Rode bloedcellen, Bloedplaatjes en Bloedplasma

b)

Rode bloedcellen, Bloedplaatjes, Witte Bloedcellen en Water

c)

Opgeloste stoffen, Rode Bloedcellen en Witte Bloedcellen

d)

Rode bloedcellen, Witte bloedcellen en Bloedplaatjes

2.

Wat is etter of pus? (BS 1)

a)

Dode rode bloedcellen en kapotte bloedplaatjes

b)

Dode rode- en witte bloedcellen

c)

Dode witte bloedcellen en gedode bloedplaatjes

d)

Dode witte bloedcellen en gedode bacteriën

3.

Waar zijn witte bloedcellen voor nodig? (BS 1)

a)

Witte bloedcellen zijn om de afvalstoffen af te voeren

b)

Witte bloedcelen zijn nodig om ziekteverwekkers te bestrijden

c)

Witte bloedcellen zijn nodig om bloed te stollen

d)

Witte bloedcellen zijn nodig om zuurstof te vervoeren

4.

Waar bestaat bloedplasma voor uit?

(BS 1)

a)

Rode bloedcellen

b)

Eiwitten

c)

Bloedplaatjes

d)

Water

5.

Een teek voedt zich met bloed van dieren en mensen. Het speeksel van de teek zorgt ervoor dat het bloed niet stolt.

Welk bestanddeel van het bloed kan zijn normale functie dan niet meer uitvoeren? (BS 1)

a)

bloedplasma

b)

bloedplaatjes

c)

rode bloedcellen

d)

witte bloedcellen

6.

Welk(e) kenmerken horen bij slagaders?

Meerdere kenmerken kunnen kloppen.

(BS 2)

a)

Liggen diep in het lichaam

b)

Hoge bloed druk

c)

Dikke elastische wand

d)

Bevat veel kleppen

7.

Welk type bloedvat kenmerkt zich door het hebben van veel kleppen?

(BS 2)

a)

Kransslagaders

b)

Haarvaten

c)

Slagaders

d)

Aders

8.

Wanneer spreken we van een dubbele bloedsomloop? (BS 2)

a)

Als het hart meerdere kamers bevat.

b)

Als het hart meerdere boezems bevat.

c)

Als het bloed per omloop 2 keer door het hart stroomt.

d)

Als het bloed van zuurstofrijk naar zuurstofarm gaat.

9.

Hoe worden de grote en de kleine bloedsomloop genoemd? (BS 2)

a)

algemene bloedsomloop

b)

menselijke bloedsomloop

c)

dubbele bloedsomloop

10.

Waar gaat de kleine bloedsomloop naar toe?

(BS 2)

a)

de hersenen

b)

alle organen

c)

de longen

d)

de darmen

11.

Hoe heet het bloedvat van de longen naar het hart?

(BS 2)

a)

holle ader

b)

longslagader

c)

aorta

d)

longader

12.

De bloedvaten met een rode kleur bevatten bloed met...?

(BS 2)

a)

veel zuurstof

b)

veel koolstofdioxide

c)

veel hormonen

d)

veel warmte

13.

Wat is een belangrijk kenmerk van haarvaten? (BS 2)

a)

Haarvaten vervoeren het bloed naar het hart toe

b)

Haarvaten hebben dikke wanden

c)

Haarvaten hebben zeer dunne, halfdoorlatende wanden

d)

Haarvaten vervoeren het bloed van het hart af

14.

Uit welke onderdelen bestaat het menselijk hart?

(BS 3)

a)

2 boezems en 2 kamers

b)

1 boezem en 3 kamers

c)

3 boezems en 1 kamer

15.

Hoe heet onderdeel 1? (BS 3)

a)

Linkerboezem

b)

Llinkerkamer

c)

Rechterboezem

d)

Rechterkamer

16.

Met welke nummer word de longslagader aangeven?

(BS 3)

a)

2

b)

4

c)

5

d)

6

17.

Hoe noemen we de kleppen die met pijlen zijn aangewezen?

(BS 3)

(a)  

18.

Wat is de naam van de bloedvaten die het hart van zuurstof voorzien?

(BS 3)

(a)  

19.

Stelling: 'De kleine bloedsomloop dumpt afvalstoffen in de longen'.

(BS 2)

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Welke bloedsomloop brengt zuurstof en voedingsstoffen naar organen toe?

(BS 2)

a)

Grote bloedsomloop

b)

Kleine bloedsomloop