wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 3 - H8 Je lichaam werkt - par 1 t/m 3

Total questions: 33

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
In je cellen wordt brandstof verbrand met behulp van zuurstof. Hierbij komt energie vrij.
Welke stof wordt er verbrand?
a)
Water
b)
Koolstofdioxide
c)
Energie
d)
Glucose
2.

De juiste volgorde van klein naar groot is...

a)

Cel --> Weefsel --> Orgaan --> Orgaanstelsel --> Organisme

b)

Organisme --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Weefsel --> Cel

c)

Cel --> Orgaan --> Weefsel --> Organisme --> Orgaanstelsel

d)

Weefsel --> Cel --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Organisme

3.

Een orgaan is een...

a)

deel van het lichaam met een bepaalde taak

b)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Groep organen die samenwerken aan een grotere taak

4.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 1?

a)

Luchtpijp

b)

Slokdarm

c)

Longen

d)

Middenrif

5.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 8?

a)

Luchtpijp

b)

Slokdarm

c)

Longen

d)

Middenrif

6.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 6?

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

d)

Maag

7.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

8.

Om te kunnen bewegen hebben onze spieren brandstoffen nodig. Welke orgaanstelsels werken samen om je spieren van brandstoffen te voorzien? Tik de stelsels aan.

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Uitscheidingsstelsel

9.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

10.

Op de afbeelding is de reactievergelijking van verbranding in het lichaam te zien. Hij is niet af, welke stof moet op plek 2 staan?

(a)  

11.

Koolstofdioxide is een afvalstof van de verbranding. Hoe kun je deze afvalstof uitscheiden? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Uitademen

b)

Uitplassen

c)

Uitzweten

d)

Uitpoepen

12.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

Linkerboezem

b)

Llinkerkamer

c)

Rechterboezem

d)

Rechterkamer

13.

Hoe heet onderdeel 3?

a)

aorta

b)

bovenste holle ader

c)

onderste holle ader

d)

kransslagader

14.
Met welke nummer word de longslagader aangeven?
a)
2
b)
4
c)
5
d)
6
15.

In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3?

a)

Witte bloedcellen

b)

Rode bloedcellen

c)

Bloedpaatjes

d)

Bloedplasma

16.

Met welk nummer worden witte bloedcellen aangeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

Het hart heeft veel spierweefsel.

Welk deel van het hart is het meest gespierd?

(a)  

18.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
19.
Wat is niet waar?
a)
Als ik ga bewegen gaat het hart sneller kloppen
b)
Als ik ga bewegen gaat mijn ademhaling sneller
c)
Als ik ga bewegen heb ik meer koolstofdioxide nodig
d)
Als ik ga bewegen heb ik meer zuurstof nodig
20.
Het is beter om door je neus in te ademen omdat.....
a)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën en warm en droger wordt
b)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën, kouder en vochtiger wordt
c)
De lucht hierdoor warmer ,vochtiger en geroken wordt
d)
De lucht hierdoor gezuiverd,droger en kouder wordt
21.

Bij welk nummer of nummers vindt gaswisseling plaats?

a)

7 en 8

b)

1, 7 en 8

c)

1 en 5

d)

8

22.

Waardoor is de luchtpijp zo stevig?

a)

Door de spieren

b)

Doordat er continu lucht doorheen stroomt

c)

Door de kraakbeenringen

d)

Doordat er bot omheen zit

23.

Wat is nummer 2?

a)

het endoplasmatisch reticulum

b)

de ribosomen

c)

de celkern

d)

het kernmembraan

24.

Deze maken eiwitten

a)

Celkern

b)

Ribosomen

c)

Endoplasmatisch reticulum

d)

Golgisysteem

25.

Hoe heet dit celonderdeel?

a)

Transportkanalen

b)

Celkern

c)

Mitochondrium

d)

Endoplasmatisch reticulum

26.

Bij de borstademhaling gebruik je de:

a)

Tussenribspieren

b)

Middenrif

c)

Buikspieren

d)

Spieren bij het sleutelbeen

27.

Bij de buikademhaling gebruik je de:

a)

Tussenribspieren

b)

Middenrif

c)

Buikspieren

d)

Spieren bij het sleutelbeen

28.

Wat is de naam van onderdeel 5?

a)

Wervelkolom

b)

Rib

c)

Long

d)

Hart

e)

Borstbeen

29.

je rechterlong is kleiner dan je linkerlong

a)

waar

b)

niet waar

30.

Hoe heet onderdeel 4

a)

Longslagader

b)

Longader

c)

Poortader

d)

Aorta

31.

Hoe heten onderdelen 12 en 7?

(a)  

32.

Hoe heten onderdelen 8 en 13?

(a)  

33.

Hoe heet onderdeel 6 ?

a)

Longader

b)

Longslagader

c)

Aorta

d)

Holle ader