NEW
Font size
Worksheetsgrammatica 4 en 5 t1
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over...
Het persoonlijk voornaamwoord
het zelfstandig naamwoord
het werkwoord
de persoonsvorm
Wat zijn de bijvoeglijk naamwoorden?
Johannes bouwde het Amsterdamse rijksmuseum na van kleine, kleurige blokjes
Amsterdamse rijksmuseum
bouwde na
kleine kleurige blokjes
Amsterdamse kleien kleurige
Wat zijn de bijvoeglijk naamwoorden?
De aardige vrouw is er twee lange uren mee bezig geweest.
aardige vrouw
twee lange
mee bezig
aardige lange
Wat zijn de bijvoeglijk naamwoorden?
Zijn complexe bouwwerk is prachtig
complexe bouwwerk
zijn prachtig
complexe prachtig
In welke zin is "op" een voorzetsel?
1. Ik eet mijn broodje op in de tuin.
2. Ik eet mijn broodje op een bankje in de tuin.
zin 1.
zin 2.
In welk antwoord staan alleen voorzetsels?
na - geweldig - paar - vanzelf
dat - op - wanneer - groot
na - tijdens - op - onder
vakantie - onder - twaalf - vorm
Wat zijn de voorzetsels?
We hoeven niet naar school vanwege de vakantie.
naar school
naar vanwege
niet vanwege
niet naar
Wat zijn de voorzetsels?
Tijdens en na het proefwerk mag je niet praten.
tijdens
na
niet na
tijdens na
Heb je de katjes van Fenna gezien? Ik vind ze lief!
Naar wie/wat verwijst ze in deze zin?
je
de katjes
Fenna
In welk antwoord staan alleen persoonlijk voornaamwoorden?
het, ons, jullie
de, mijn, ik
een, haar, die
dat, uw, hij
Benoem de persoonlijk voornaamwoord(en)?
Morgen bel ik haar op
ik
haar
ik haar
Hoeveel persoonlijk voornaamwoorden staan er in de zin?
Mijn zus stak die kaarsjes aan en brandde haar vinger.
0
1
2
3
Mijn broer fietst met zijn vriendin naar ons huis.
Hoeveel bezittelijk voornaamwoorden staan er in de zin?
0
1
2
3
ik heb die rare broer van me een cadeau gegeven.
me is een ....
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Is dit ...... boek?
vul in
jou
jouw
Is die fiets van jou?
jou is een ....
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voor naamwoord
Is dat .... rijbewijs?
vul in.
u
uw
ik zag u gisteren op school.
u is een .....
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
1. Ik gaf het jongetje een bal.
2. Het wordt morgen prachtig weer.
In welke zin is "het" een persoonlijk voornaamwoord?
zin 1
zin 2
Ik geef de keuze aan ......
Vul in.
jou
jouw
