Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie BK2

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende dieren in een gebied.

b)

Het aantal verschillende soorten in een gebied.

c)

Het aantal verschillende planten in een gebied.

d)

Het aantal verschillende abiotische factoren in een gebied

2.
Wat is biodiversiteit?
a)
Het aantal verschillende dieren in een gebied.
b)
Het aantal verschillende soorten in een gebied.
c)
Het aantal verschillende planten in een gebied.
3.
Je ziet hier een voorbeeld van:
a)
een populatie.
b)
een ecosysteem.
c)
een lage biodiversiteit.
d)
een hoge biodiversiteit
4.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
5.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
7.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
8.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
9.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
10.

Een beer is een...

a)

alleseter

b)

planteneter

c)

vleeseter

11.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

12.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

13.
Lijsterbes-sprinkhaan-kikker-slang vormen een voedselketen.
a)
juist
b)
onjuist
14.
De libel is een consument van de 4e orde.
a)
juist
b)
onjuist
15.
Uit hoeveel schakels bestaat de kortste voedselketen in de afbeelding?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
16.
Wat is een voedselweb?
a)
Een reeks van eten en gegeten worden.
b)
Alle biotische factoren in een ecosysteem.
c)
Alle voedselrelaties in een ecosysteem.
17.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
18.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
19.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
20.
Wat ontbreekt er bij nummer 1?
a)
verbranding
b)
fotosynthese
21.
Wat ontbreekt bij nummer 2?
a)
consument
b)
producent
c)
reducent
d)
afvaleters
22.
Wat ontbreekt bij nummer 3?
a)
consument
b)
reducent
c)
producent
d)
afvaleters
23.
Wat ontbreekt bij nummer 4?
a)
fotosynthese
b)
verbranding
24.
Welke energierijke stof wordt gemaakt bij de fotosynthese?
a)
koolstofdioxide
b)
mineralen
c)
glucose
d)
zonlicht
25.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
26.
Het klimaat heeft veel invloed op de grootte van een populatie.
a)
juist
b)
onjuist
27.
Binnen een groep weet iedereen vaak zijn plek. Dit noemen we....
a)
competitie
b)
pikorde
c)
rangorde
d)
tepelorde
28.
Door samenwerking binnen een populatie is er een grotere kans op overleving.
a)
juist
b)
onjuist
29.
Competitie tussen soortgenoten is er vaak om voedsel, een partner of een veilige plek.
a)
juist
b)
onjuist
30.
We zien hier een voorbeeld van paarvorming.
a)
juist
b)
onjuist
31.
We zien hier een voorbeeld van territoriumgedrag.
a)
juist
b)
onjuist
32.
Een langdurige samenlevingsvorm tussen verschillende soorten noem je...
a)
paarvorming
b)
competitie
c)
symbiose
d)
een niche
33.
Bij parasitisme heeft de parasiet voordeel van het samenleven, de gastheer geen nadeel.
a)
juist
b)
onjuist