wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 3 ordening

Total questions: 38

Worksheet time: 3hrs 10mins

Name
Class
Date
1.

In welke 4 groepen kun je alle organismen ordenen?

a)

Dieren planten gewervelden schimmels

b)

dieren planten schimmels virussen

c)

dieren planten schimmels bacteriën

d)

Dieren Mossen planten bacteriën

2.
a)

dier

b)

plant

c)

schimmel

d)

Bacterie

3.
a)

dier

b)

plant

c)

schimmel

d)

bacterie

4.
a)

dier

b)

plant

c)

schimmel

d)

bacterie

5.

Als we alle organismen in 4 groepen willen verdelen kijken we naar 3 kenmerken. Waar staan de 3 juiste?

a)

Celkern Celwand Bladgroenkorrels

b)

Celkern celmembraan bladgroenkorrels

c)

celmembraan celwand bladgroenkorrels

d)

Celwand bladgroenkorrels tussencelstof

6.

Wat is waar over een soort

a)

Is een groep organismen die op elkaar lijken

b)

Is een groep organismen met een celwand

c)

Is een groep organismen die zich kunnen voortplanten maar hun jongen ook

d)

Is een groep organismen die zich kunnen voortplanten maar hun jongen niet

7.

Een lijger is een kruising tussen een leeuw en een tijger. Horen de leeuw en de tijger tot dezelfde soort

a)

ja

b)

nee

8.

Welke groep organismen heeft geen celkern?

a)

dier

b)

plant

c)

schimmel

d)

bacterie

9.

Wat is een ander woord voor wervelkolom

a)

botten

b)

skelet

c)

ruggengraat

10.

Heeft een kreeft een wervelkolom?

a)

ja

b)

nee

11.

Zit een wervelkolom altijd aan de binnenkant van je lichaam?

a)

ja

b)

nee

12.

In welke 5 groepen verdelen we de gewervelden dieren?

a)

Insecten vissen reptielen vogels zoogdieren

b)

vissen kikkers reptielen vogels zoogdieren

c)

vissen spinnen insecten zoogdieren amfibieën

d)

vissen amfibieën reptielen vogels zoogdieren

13.

Het dier heeft een huid bedekt met schubben met slijm en legt eieren zonder schaal. Tot welke groep gewervelden dieren hoort dit dier

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

14.

Het dier heeft een huid bedekt met droge schubben en legt eieren met een zachte schaal. Tot welke groep gewervelden dieren hoort dit dier

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

15.

Het dier heeft longen en legt eieren met een harde schaal. Tot welke groep gewervelden dieren hoort dit dier

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

16.

Het dier krijgt levende jongen/ jongen geboren als jong dier

a)

vissen

b)

amfibieën

c)

reptielen

d)

vogels

e)

zoogdieren

17.

In welke 2 groepen verdelen we de planten?

a)

mossen varens

b)

zaadplanten sporenplanten

18.

Welke organen heeft een sporenplant?

a)

wortel stengel bladeren bloemen

b)

wortel stengel bloemen sporenhoopjes

c)

wortel stengel bladeren

19.

Wat zitten er in een sporenhoopje of een sporendoosje?

a)

zaden

b)

sporen

c)

sporendraden

d)

mos

20.

Waarin ontstaan zaden?

a)

in sporenhoopjes

b)

in sporendoosjes

c)

in bloemen

d)

in alle 3

21.

Wat ontstaat er uit een spore en een zaadje?

a)

een schimmel

b)

een plant

c)

een bacterie

d)

een mos

22.

Wat zijn 3 nuttige eigenschappen van schimmels?

a)

je kunt er voedsel mee maken, je kunt er medicijnen van maken, bederven eten

b)

Ze kunnen dode organismen opruimen, je kunt ze eten, je kunt er voedsel mee maken

c)

Om te eten, ze kunnen ziekten veroorzaken, ze kunnen voedsel bederven

23.

Uit hoeveel cellen bestaat een bacterie?

a)

1

b)

2

c)

meerdere

d)

wisselend

24.

Hoe planten bacteriën zich voort?

a)

via draden

b)

via deling

c)

via sporen

d)

via zaden

25.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Als je 1 bacterie hebt, hoeveel heb je er dan na een uur?

a)

3

b)

4

c)

6

d)

8

26.

Waar staan nuttige eigenschappen van een bacterie?

a)

ruime dode organismen op uit de natuur, kunt er ziek van worden

b)

maken er medicijnen van, sommige helpen je lichaam

c)

ruime dode organismen op, helpen je lichaam beschermen tegen slechte bacterien

27.

Waar staan de stappen van onderzoek doen in de juiste volgorde

A hypothese

B werkplan

C conclusie

D onderzoeksvraag

E uitvoering

F resultaten

a)

A - B - C - D - E - F

b)

D - A - C - B - E - F

c)

D - A - B - E - F - C

28.

Wat is een Onderzoeksvraag?

a)

Wat je nodig hebt voor een proef

b)

Wat je wil onderzoeken

c)

Wat je denkt dat er gaat gebeuren

d)

Wat je waar neemt

e)

Wat je moet doen

29.

Wat is een hypothese?

a)

Wat je nodig hebt voor een proef

b)

Wat je wil onderzoeken

c)

Wat je denkt dat er gaat gebeuren

d)

Wat je waar neemt

e)

Wat je moet doen

30.

Wat is werkplan?

a)

Wat je nodig hebt voor een proef en wat je gaat doen

b)

Wat je wil onderzoeken

c)

Wat je denkt dat er gaat gebeuren

d)

Wat je waar neemt

e)

Wat je moet doen

31.

Je kunt met een zoekkaart op grond van de kenmerken van een organismen zoeken welke soort het is.

a)

juist

b)

onjuist

32.

Wat voor dier is een spin?

a)

gewerveld dier

b)

ongewerveld dier

c)

insect

33.

Hoe ademen reptielen?

a)

Longen

b)

kieuwen

c)

huid

d)

huid en longen

34.

Hebben planten bladgroenkorrels?

a)

Ja

b)

Nee

35.

Zijn alle paddenstoelen eetbaar?

a)

ja

b)

nee

36.

Hoe komt het dat een zaadje niet uitkomt in een zakje met zaad?

a)

Geen licht

b)

geen water

c)

beide

37.

Is voor een bakker gist schadelijk?

a)

ja

b)

nee

38.

Welke voedingsstoffen worden met behulp van bacteriën gemaakt?

a)

melk, bier

b)

friet, kaas

c)

Yoghurt, zuurkool

d)

zuurkool, bier