wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vakmanschap Quiz 1

Total questions: 32

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

Op straat wijzen voorbijgangers de politie op een man die even verderop pillen staat te verkopen. De politie herkent de man als een ambtshalve bekende dealer en ziet hem in een auto stappen. Welk alternatief is juist?

a)

De Opiumwet bevat een bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam voor iedere opsporingsambtenaar.

b)

De Opiumwet bevat een bevoegdheid tot doorzoeking

c)

Het doen openen van de mondholte van de verdachte en het vervolgens inwendig met de hand/vingers onderzoeken van de mond is geen onderzoek aan of in het lichaam.

d)

Onder onderzoek in het lichaam wordt ook verstaan het van buitenaf bekijken van de openingen en holten van het onderlichaam.

2.

Een verdachte heeft geprobeerd met een scooter in te rijden op zijn ex. Zijn ex is niet geraakt, maar ze is door het inrijden wel gevallen. Welk alternatief is juist?

a)

Van mishandeling kan ook sprake zijn als de dader het slachtoffer niet heeft geraakt.

b)

Bij een eenvoudige mishandeling kan een motorrijtuig dat hij ten tijde van de mishandeling bestuurde het rijbewijs worden ingevorderd en een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.

c)

Ook poging tot eenvoudige mishandeling is strafbaar

d)

Ook het bij het slachtoffer veroorzaken van psychische klachten kan mishandeling opleveren

3.

Een collega vertelt dat hij door het onbevoegd doorzoeken van een auto bewijs heeft verkregen. Welk alternatief is juist

a)

Het bij een doorzoeking van een auto onrechtmatig verkregen bewijs mag niet als bewijs worden gebruikt.

b)

Een opsporingsambtenaar kan zich vergist hebben in de grondslag van zijn bevoegdheid maar toch rechtmatig opgetreden hebben.

c)

Dat onrechtmatig optreden hoeft niet in het proces-verbaal verwerkt te worden, mits het wel gemeld wordt aan een meerdere.

d)

Door dat onrechtmatig optreden zal de officier van justitie door de rechter niet-ontvankelijk verklaard worden.

4.

Een burger ziet dat zijn fiets gestolen wordt en dat de dief daarmee een woning binnen gaat. Welk alternatief is juist?

a)

Een burger is bij ieder misdrijf bevoegd om ter aanhouding van de verdachte een woning te betreden.

b)

Een burger is alleen bevoegd om bij ontdekking op heterdaad van een misdrijf waarop voorlopige hechtenis staat ter aanhouding van de verdachte een woning te betreden.

c)

Een burger is ook buiten ontdekking op heterdaad van een misdrijf waarop voorlopige hechtenis staat bevoegd ter aanhouding van de verdachte een woning te betreden.

d)

Een burger is niet bevoegd om ter aanhouding van de verdachte een woning te betreden.

5.

Een politieambtenaar is de woning van de verdachte ter inbeslagneming binnengetreden zonder te beschikken over de daartoe vereiste machtiging. De verdachte is het met het binnentreden in het geheel niet eens en beledigt de betreffende politieambtenaar. Daarop wordt de verdachte voor de belediging aangehouden, waarbij door collega’s van de politieambtenaar fors geweld gebruikt moet worden om de verdachte onder controle te krijgen. Welk alternatief is juist?

a)

In de woning aangetroffen bewijsmateriaal mag niet gebruikt worden.

b)

De belediging is niet strafbaar, omdat de betreffende politieambtenaar onrechtmatig binnentrad

c)

Disproportioneel geweld bij aanhouding van de verdachte kan leiden tot strafvermindering.

d)

Voor belediging is niet vereist dat dit opzettelijk plaats vindt.

6.

Een verdachte wordt aangehouden ter zake zware mishandeling. De aanhouding vindt plaats vlakbij een café in het drukke uitgaansgebied van de stad. Een man uit het toegestroomde publiek bemoeit zich met de aanhouding en de politie is bang dat het uit de hand gaat lopen. Eén van de opsporingsambtenaren beveelt de man dat hij moet vertrekken. Welk alternatief is juist?

a)

Art. 124 Sv (handhaving orde bij ambtsverrichtingen) beoogt onder meer het verstoren van de openbare orde te voorkomen en waar nodig te beëindigen.

b)

Art. 124 Sv (handhaving orde bij ambtsverrichtingen) is ook van toepassing bij optreden in het kader van hulpverlening

c)

Voor de handhaving van de orde (art. 124 Sv) kan iedere opsporingsambtenaar een bevel geven waaraan door de burger voldaan moet worden.

d)

Art. 185 Sr (bemoeilijken ambtsverrichting) is een specialis van art. 184 Sr (niet voldoen aan bevel/vordering) en heeft dus voorrang op art. 184 Sr.

7.

Welk misdrijf is een relatief klachtmisdrijf?

a)

Mishandeling (art. 300 Sr).

b)

Vernieling (art. 350 Sr).

c)

Huisvredebreuk (art. 138 Sr).

d)

Schennis van de eerbaarheid (art. 239 Sr).

8.

Een collega vraagt aan u of hij een auto van een in verzekering gestelde verdachte alsnog in beslag mag nemen. Welk alternatief is juist?

a)

Buiten ontdekking op heterdaad is een opsporingsambtenaar ingevolge het Wetboek van strafvordering niet bevoegd tot inbeslagneming

b)

Een opsporingsambtenaar is ingevolge het Wetboek van strafvordering te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming.

c)

Ook het meenemen van een voorwerp ten behoeve van het onderzoek is inbeslagneming

d)

Als een voorwerp vatbaar is voor inbeslagneming, dan is de opsporingsambtenaar daartoe bevoegd.

9.

Inbeslagneming en binnentreden. Welk alternatief is juist?

a)

Uitsluitend in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, is de opsporingsambtenaar bevoegd ter inbeslagneming elke plaats te betreden.

b)

Bij spoed is voor inbeslagneming in een woning geen machtiging binnentreden vereist.

c)

Iedere opsporingsambtenaar in afwachting van de komst van de RC of ambtenaar die bevoegd is ter inbeslagneming de plaats te doorzoeken, maatregelen nemen die nodig zijn om bijv. wegmaking van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te voorkomen.

d)

Het openen van een enkel kastje om te kijken of zich daar voor inbeslagneming vatbare voorwerpen bevinden is nog geen doorzoeking

10.

Tijdens een risicovolle aanhouding op straat wordt de politie geconfronteerd met opdringerig publiek waaronder ambtshalve bekende geweldplegers. Welk alternatief is juist?

a)

Art. 3 Politiewet geeft de politie wel de bevoegdheid om een bevel te geven, maar de burger hoeft dat bevel niet op te volgen.

b)

Art. 3 Politiewet geeft de politie de bevoegdheid om een bevel te geven en de burger is verplicht dat bevel op te volgen.

c)

Art. 3 Politiewet geeft de politie geen bevoegdheid een bevel te geven, maar de burger moet een bevel van de politie wel opvolgen.

d)

Art. 3 Politiewet geeft de politie geen bevoegdheid bevelen te geven en de burger hoeft een bevel gebaseerd op art. 3 Politiewet dus ook niet op te volgen

11.

Binnentreden woning. Welk alternatief is juist?

a)

Ook degene die met toestemming een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden.

b)

Als de voordeur van een woning open staat, hoeft geen toestemming tot binnentreden gevraagd te worden, maar mag door die voordeur de woning betreden worden.

c)

Een machtiging binnentreden hoeft niet ongevraagd aan de bewoner getoond te worden.

d)

Ook een machtiging voor binnentreden dat pas over vier dagen plaats vindt, is rechtsgeldig.

12.

Observatie. Welk alternatief is juist?

a)

Observatie van bijv. een veelpleger of een doelgroep (zakkenrollers) kan gebaseerd worden op de Politiewet.

b)

Stelselmatige observatie vereist een bevel van de RC.

c)

Voor een bevel stelselmatige observatie is een verdenking ter zake een misdrijf waarop voorlopige hechtenis is gesteld vereist.

d)

Burgers die geen verdachte zijn, mogen niet geobserveerd worden.

13.

Een aangehouden overvaller wordt overgebracht naar het politiebureau. Welke stelling is juist?

I. Een aangehouden verdachte heeft als regel het recht onverwijld geïnformeerd te worden over de reden van zijn aanhouding en van welk strafbaar feit hij verdacht wordt.

II. De termijn waarbinnen deze verdachte voor de RC moet worden geleid is 3 dagen en 12 uur.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist.

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

14.

Na een melding van een inbraak zien twee opsporingsambtenaren de verdachte als bestuurder van een auto rijden. De opsporingsambtenaren willen de verdachte ter aanhouding een stopteken geven. Welke stelling is juist?

I. De opsporingsambtenaren mogen een verdachte een stopteken ter staande houding of aanhouding geven.

II. Het niet voldoen aan dit stopteken is strafbaar

a)

Uitsluitend stelling I is juist

b)

Uitsluitend stelling II is juist.

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

15.

Een terzake huisvredebreuk aangehouden verdachte blijft tijdens het ophouden voor onderzoek principieel weigeren haar personalia op te geven. Welke stelling is juist?

I. De onderzoekstermijn mag uitsluitend verlengd worden voor onderzoek naar de identiteit van de verdachte en mag uitsluitend een feit betreffen waarvoor géén voorlopige hechtenis is toegelaten.

II. Voor de eventuele verlenging van het ophouden voor onderzoek is dringende noodzakelijkheid vereist.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist.

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

16.

Een ter zake beroving aangehouden en voor onderzoek opgehouden verdachte weigert mee te werken aan een persoonsconfrontatie. De opsporingsambtenaren willen daarom de confrontatie als maatregel in het belang van het onderzoek toepassen.

a)

Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen uitsluitend bevolen worden gedurende de ivs en voorlopige hechtenis.

b)

Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen ook door een opsporingsambtenaar bevolen worden.

c)

Uitsluitend de OvJ en de RC zijn bevoegd tot het bevelen van maatregelen in het belang van het onderzoek.

d)

Ook de hulpOvJ is bevoegd tot het bevelen van maatregelen in het belang van het onderzoek, echter uitsluitend onder bepaalde voorwaarden.

17.

Voor de berekening van de termijn waarbinnen de verdachte voor de RC moet worden geleid geldt

a)

Dat de tijd die gebruikt is voor ontnuchtering of medische verzorging van de verdachte niet meegerekend behoeft te worden.

b)

Dat de transporttijd en de nachtelijke uren wél meegerekend moeten worden.

c)

Dat uitsluitend de werkelijke transporttijd vanaf de plaats van de aanhouding tot de plaats van onderzoek niet meegerekend behoeft te worden.

d)

Dat uitsluitend de werkelijke transporttijd vanaf de plaats van de aanhouding tot de plaats van onderzoek én de nachtelijke uren niet meegerekend behoeven te worden.

18.

Welke stelling is juist?

I. Tot het ondergaan van ivs of vh door een minderjarige kan elke daartoe geschikte plaats worden aangewezen.

II. Art. 27 van de Ambtsinstructie verplicht de ambtenaar uit eigen beweging én z.s.m. een familielid of een huisgenoot van de ingesloten minderjarige op de hoogte van de insluiting te stellen, tenzij onderzoeksbelangen zich hiertegen verzet.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist

c)

Stelling I en II zijn juist

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

19.

Een raadsman vraagt na het bezoek aan zijn cliënt (de verdachte) tijdens het ophouden voor onderzoek om inzage van de processtukken. Welke stelling is juist?

I. De verdachte én diens raadsman hebben pas vanaf de ivs het recht om van de processtukken kennis te nemen.

II. De hulpOvJ is bevoegd om in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaalde stukken aan de verdachte en diens raadsman te onthouden.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

20.

Welke stelling is juist?

I. Als een getuige ter zitting gebruik heeft gemaakt van zijn verschoningsrecht dan mag de rechter de eerder afgelegde verklaring van deze getuige bij de politie (opgenomen in een proces-verbaal) niet als bewijs gebruiken.

II. De wetgever heeft opsporingsambtenaren en rechters verplicht om personen die door hen als getuige worden gehoord uitdrukkelijk te wijzen op een mogelijk verschoningsrecht.

a)

Uitsluitend stelling I is juist

b)

Uitsluitend stelling II is juist

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

21.

Onrechtmatig verkregen bewijs:

a)

Kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

b)

Kan niet leiden tot strafmatiging

c)

Mag door de rechter niet als bewijs gebruikt worden.

d)

Alleen vruchten van onrechtmatig verkregen bewijs mogen door de rechter niet als bewijs gebruikt worden.

22.

De opsporingsambtenaren vragen zich nog af in welke gevallen welke onderzoeksmaatregelen bevolen mogen worden. Welke stelling is juist?

I. Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen ook bevolen worden tegen een zich in vrijheid bevindende verdachte.

II. Onderzoeksmaatregelen zijn allesomvattend opgesomd in het Wetboek van strafvordering.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist.

c)

Stelling I en II zijn juist

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

23.

De verdachte zal voor een vordering inbewaringstelling worden geleid voor de RC. Binnen welke termijn moet die voorgeleiding plaatsvinden?

a)

3 dagen en 18 uur, te rekenen vanaf de aanhouding van de verdachte

b)

3 dagen en 18 uur, te rekenen vanaf de aankomst van de verdachte op de plaats onderzoek

c)

3 dagen, te rekenen vanaf de aanhouding van de verdachte

d)

Uiterlijk binnen de verlenging van de inverzekeringstelling

24.

Een particuliere bewaker van een grootwinkelbedrijf houdt op heterdaad een winkeldievegge aan. Is deze bewaker bevoegd tot inbeslagneming van de bij de winkeldiefstallen gestolen goederen?

a)

Nee, een burger is sinds een recente wetswijziging niet meer bevoegd tot ibn.

b)

Neen, tenzij niet op de komst van een opsporingsambtenaar gewacht kan worden.

c)

Ja, ook als de bewaker voor de ibn een kledingonderzoek moet verrichten.

d)

Ja, mits de verdachte de goederen met zich voert.

25.

Twee agenten zijn naar een woning gezonden in verband met een vermoedelijk gaslek in die woning. Ter plaatse gekomen zien de agenten de achterdeur openstaan en ruiken ze inderdaad een sterke gaslucht afkomstig uit de betreffende woning. Er is kennelijk niemand in de woning aanwezig. Is er voor het binnentreden in die woning een schriftelijke machtiging vereist?

a)

Nee, wel is een mondelinge machtiging van de (hulp)OvJ vereist.

b)

Ja, er is immers sprake van een woning

c)

Nee, omdat de achterdeur van de woning open staat.

d)

Nee, omdat voor dit soort gevallen een uitzondering is opgenomen in de Algemene Wet op het Binnentreden

26.

Welke stelling is juist?

I. Misdrijven die geen klachtmisdrijf zijn mogen ook ambtshalve vervolgd worden (geen aangifte vereist).

II. Relatieve klachtmisdrijven zijn door de wetgever aangewezen misdrijven die vanwege een bepaalde familierelatie tussen het slachtoffer en de verdachte niet of uitsluitend op klacht opgespoord of vervolgd mogen worden.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.

27.

Tijdens de periode dat een meerderjarige verdachte wordt opgehouden voor onderzoek, eist hij dat hij zijn advocaat mag bellen of dat deze gebeld wordt. Mag dit geweigerd worden?

a)

Ja, omdat hij pas vanaf de ivs recht heeft op bijstand van een raadsman

b)

Ja, omdat de raadsman geen toegang tot de verdachte heeft gedurende het ophouden voor onderzoek

c)

Nee, omdat een verdachte altijd het recht heeft op bijstand van een raadsman en hem zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft moet worden om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.

d)

Nee, tenzij de verdachte nog geen contact met een raadsman heeft gehad.

28.

Een rechercheur vraagt zich af of een negatieve confrontatie met een verdachte wel een processtuk is. Met betrekking tot ‘processtukken’ geldt:

a)

Dat het Wetboek van strafvordering een omschrijving geeft van ‘processtukken’

b)

Dat dit niet de voor verdachte ontlastende stukken zijn.

c)

Dat processtukken nooit onthouden mogen worden aan de raadsman van de verdachte

d)

Dat verzoeken tot inzage van de processtukken gericht dienen te worden aan de hulpOvJ.

29.

Uit een opsporingsonderzoek ter zake woninginbraken en heling blijkt van een 11-jarige inbreker. Mag bij deze minderjarige een doorzoeking plaatsvinden ?

a)

Neen, tegen een minderjarige mogen geen dwangmiddelen worden toegepast

b)

Nee, omdat deze minderjarige jonger is dan 12 jaar.

c)

Ja, ongeacht de leeftijd van die minderjarige.

d)

Nee, omdat er geen voorlopige hechtenis op schuldheling staat

30.

Een verdachte ter zake een diefstal door middel van geweld vlucht om aan zijn aanhouding door particuliere beveiligers te ontkomen. Samen met die beveiligingsbeambten gaat de politie op zoek naar de verdachte. Daarbij is het de bedoeling dat de beveiligers bij herkenning de verdachte aan de politie aanwijzen. Welk alternatief is juist?

a)

Het in deze vraag weergegeven onderzoek met de particuliere beveiligingsbeambten in de omgeving van de winkel ter mogelijke identificatie van de verdachte is toegestaan.

b)

Een spiegelconfrontatie zonder toestemming van de verdachte mag in deze zaak ook worden uitgevoerd op bevel van de hulpOvJ, nadere voorwaarden worden daaraan niet gesteld.

c)

Een bevel tot spiegelconfrontatie mag gegeven worden in het belang van het onderzoek ten opzichte van een aangehouden verdachte ter zake ieder strafbaar feit.

d)

In tegenstelling tot de oude wetgeving worden alle mogelijke maatregelen in het belang van het onderzoek nu wél door de wetgever opgesomd.

31.

Een ter zake inbraken aangehouden en voor onderzoek opgehouden verdachte weigert mee te werken aan een persoonsconfrontatie. De opsporingsambtenaren die met het onderzoek belast zijn willen daarom de confrontatie als maatregel in het belang van het onderzoek toepassen. Wel alternatief is juist?

a)

Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen ook bevolen worden gedurende het ophouden voor onderzoek

b)

Maatregelen in het belang van het onderzoek mogen alleen door een daartoe opgeleide opsporingsambtenaar bevolen worden.

c)

Alleen de OvJ is bevoegd tot het bevelen van maatregelen in het belang van het onderzoek

d)

Als de RC in de betreffende zaak belast is met onderzoekshandelingen dan is alleen de RC bevoegd tot het bevelen van maatregelen in het belang van het onderzoek

32.

Welke stelling over verplichte celafname voor DNA-onderzoek is juist ?

I. Verplichte celafname voor een DNA-onderzoek is ook mogelijk voor feiten waarop géén voorlopige hechtenis is toegelaten.

II. Ook een getuige/slachtoffer kan worden gedwongen tot afname van celmateriaal.

a)

Uitsluitend stelling I is juist.

b)

Uitsluitend stelling II is juist.

c)

Stelling I en II zijn juist.

d)

Stelling I en II zijn niet juist.