wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klas 1, cellen

Total questions: 66

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.
Vervoert zuurstof en voedingsstoffen naar de organen.
a)
ademhalingsstelsel
b)
bloedvatenstelsel
c)
spierstelsel
d)
zenuwstelsel
2.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
3.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
4.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

De lever hoort bij het .......

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Zenuwstelsel

6.

Zie je in de afbeelding één of meerdere weefsels?

a)

één weefsel

b)

meerdere weefsels

7.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

8.
welke orgaan wordt aan gegeven met nr. 1
a)
slokdarm
b)
keel
c)
luchtpijp
d)
strot
9.
Welk orgaan wordt aangegeven met nr. 5 
a)
lever
b)
dikke darm
c)
maag
d)
alvleesklier
10.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
11.

Welk orgaan scheidt de borstholte en de buikholte?

a)

Lever

b)

Longen

c)

Middenrif

d)

Lurven

12.

Welk orgaanstelsel hoort bij de afbeelding?

a)

Zenuwstelsel

b)

Verteringsstelsel

c)

Bloedvatenstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

13.

Door welk onderdeel van de microscoop kijk je?

a)

Revolver

b)

Diafragma

c)

Oculair

d)

Statief

14.

Welk deel van de cel regelt alles wat er in de cel gebeurt?

a)

Celmembraan

b)

Cytoplasma

c)

Celkern

d)

Bladgroen

15.

Wat zien we in de afbeelding?

a)

Cel

b)

Chromosoom

c)

DNA

d)

Celkern

16.

In welke fase van celdeling deelt de celkern zich in twee?

a)

Kerndeling

b)

Celdeling

c)

Plasmagroei

17.

Welk deel bevat informatie van erfelijke eigenschappen?

a)

DNA

b)

Chromosoom

c)

Celkern

d)

Eiwit

18.

Bij gewone celdeling eindigen de dochtercellen even groot als moedercel

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Wat is de juiste volgorde?

a)

1 - 2 - 3 - 4

b)

2 - 3 - 4 - 1

c)

3 - 1 - 2 - 4

d)

4 - 2 - 1 - 3

20.

Welke van deze onderdelen hebben dierlijke cellen niet?

a)

Celkern

b)

Celmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Celwand

21.

Waarmee kan je cellen vergelijken?

a)

Lijm

b)

Lego

c)

Dieren

d)

Planten

22.

Wat is celplasma?

a)

Hier zit alle erfelijke informatie van een organisme

b)

Dit beschermt de cel

c)

Het is vloeistof met opgeloste stoffen

d)

Dat bestaat niet

23.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Wat is het celmembraan?

a)

Dat is hetzelfde als de celwand

b)

Dat bestaat niet

c)

Dat regelt alles wat er in de cel gebeurt

d)

Een dun vlies om het celplasma

26.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een organisme met een eigen taak

b)

Je verteringsstelsel

c)

Je ademhalingsstelsel

d)

Een cel

27.

Een stengel is een orgaan van een plant

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Wat zijn de drie functies van wortels?

a)

Reservevoedsel opslaan

b)

Zuurstof opnemen

c)

De plant vastzetten aan de grond

d)

Water opnemen

29.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

30.

Wat is een weefsel?

a)

Een ander woord voor orgaan

b)

Een groep organen bij elkaar

c)

Alle cellen in ons lichaam

d)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

31.

Wat is tussencelstof?

a)

Een stof die tussen de cellen van weefsels zit

b)

Een stof die tussen verschillende weefsels zit

c)

Een ander woord voor weefsel

d)

Een orgaan

32.

Huidmondjes kunnen zichzelf sluiten

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Wie hebben er allemaal huidmondjes?

a)

Alle organismen

b)

Mensen

c)

Planten

d)

Dieren

34.

Je ziet hier cellen van een organisme. Welke soort cellen zie je?

a)

dierlijke cellen

b)

plantaardige cellen

35.

Je ziet hier een tekening van een appel. Is dit een ...

a)

lengte doorsnede?

b)

dwarsdoorsnede?

c)

buitenaanzicht?

36.

Als we praten over een maag, is dat dan een ..

a)

organisme?

b)

orgaan?

c)

cel?

d)

weefsel?

37.

In een organisme komen onder andere orgaanstelsels, cellen, weefsels en organen voor. Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

weefsels-cellen- orgaanstelsels-organen

b)

weefsels-organen-orgaanstelsels-cellen

c)

cellen-organen-weefsels-orgaanstelsels

d)

cellen-weefsels-organen-orgaanstelsels

38.

In de dwarsdoorsnede van de torso is nummer 4 ...

a)

het hart

b)

de long

c)

de ruggewervel

d)

de slokdarm

39.

In cellen regelt de .. alles wat er in de cel gebeuren moet.

a)

vacuole

b)

cytoplasma

c)

celkern

d)

celmembraan

40.

Een plantaardige cel is onder andere verschillende van een dierlijke cel door de aanwezigheid van ..

a)

celplasma

b)

bladgroenkorrels

c)

celkern

d)

celmembraan

41.

DNA bevindt zich in ..

a)

de celkern

b)

in een vacuole

c)

in de celwand

d)

in de celmembraan

42.

Planten zijn heel belangrijke organismen. Zij zijn in staat om zuurstof en voeding in de vorm van glucose te maken. Dit proces heet..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

43.

Hoeveel chromosomen bevinden zich in een lichaamscel van een mens?

a)

23

b)

46

44.

Waar vind je de chromosomen in een levercel?

a)

celkern

b)

celwand

c)

cytoplasma

45.

Een chromosoom bestaat uit ...

a)

DNA

b)

DNA en eiwitten

c)

eiwitten

d)

celkern

46.

In lichaamscellen komen chromosomen altijd ...

a)

enkel voor

b)

in paren voor

47.

In de afbeelding zie je een bepaalde type korrel.

Welke korrels zijn er in de afbeelding te zien?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Zetmeelkorrels

48.

In de afbeelding zie je een onrijpe banaan.

Welke korrels zijn er in de afbeelding te zien?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Zetmeelkorrels

49.

Bij een onderzoek van het darmslijmvlies van een patiënt worden behalve slijmvliescellen ook cellen van onverteerde plantenresten aangetroffen.

Enkele delen in en om een cel kunnen zijn: celkern, celmembraan en celwand.

Welk van deze delen heeft een plantencel wel, maar een cel uit het darmslijmvlies niet?

a)

een celkern

b)

een celmembraan

c)

een celwand

50.

Bij dierlijke cellen zorgt de celwand voor stevigheid

a)

goed

b)

fout

51.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Cytoplasma

d)

Vacuole

52.

Waar in een plantencel zit het celmembraan?

a)

Aan de buitenkant van het cytoplasma

b)

Aan de buitenkant van de celwand

c)

Tegen de vacuole aan

d)

Aan de buitenkant tegen de celkern

53.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

54.

Welke plastiden zitten er in een aardappel.

a)

Kleurstofkorrels

b)

Bladgroenkorrels

c)

Zetmeelkorrels

55.

Waar in een plantencel vind fotosynthese plaats?

a)

Celkern

b)

Cytoplasma

c)

Bladgroenkorrels

d)

Celwand

56.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

57.
wat veroorzaakt de gele kleur van de paprika?
a)
Plastiden
b)
Bladgroenkorrels
c)
Zetmeelkorrels
d)
Kleurstofkorrels
58.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

59.

Welk onderdeel is nummer 7?

a)

Tubus

b)

Revolver

c)

Oculair

d)

Statief

60.

Welk onderdeel is nummer 3?

a)

Tubus

b)

Tafel

c)

Objectieven

d)

Revolver

61.

Waarmee regel je de hoeveelheid licht die door de lenzen valt?

a)

Objectieven

b)

Lamp

c)

Diafragma

d)

Tafel

62.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein bij de volgende begrippen:
orgaan - organisme - weefsel - orgaanstelsel - cel
a)
cel-orgaan-organisme-weefsel-orgaanstelsel
b)
organisme-orgaan-orgaanstelsel-weefsel-cel
c)
organisme-orgaanstelsel-orgaan-weefsel-cel
d)
cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
63.
Je ziet een microscopische foto van een deel van deel van een plant. Wat zie je op deze foto?
a)
Slechts één cel maar meerdere weefsels
b)
Meerdere cellen maar slechts één weefsel
c)
Meerdere cellen en meerdere weefsels
64.
Als de aarde bij een aardappelplant gedeeltelijk wegspoelt, kan een aardappel boven de grond komen.
Het gedeelte boven de aarde wordt groen. Dit komt doordat plastiden in elkaar overgaan.
Welke verandering bij plastiden treedt op in een deel van een aardappel dat boven de grond komt?
a)
bladgroenkorrels worden zetmeelkorrels
b)
kleurstofkorrels worden zetmeelkorrels
c)
zetmeelkorrels worden kleurstofkorrels
d)
zetmeelkorrels worden bladgroenkorrels
65.
A. Tafel helemaal omlaag draaien en objectief 4x 
B. Tafel omhoog draaien met de grote schroef
C. Preparaat tussen de klemmen en lampje aan
D. Nauwkeurig scherpstellen met kleine schroef
E. Ongeveer scherpstellen met de grote schroef
Wat is de juiste volgorde?
a)
A - C - B - E - D
b)
A - B - C - D -E
c)
A - B - D -C -E
d)
B - A - C -E - D
66.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16