wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

thema 2 organen en cellen

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Een deel van een organisme dat een bepaalde taak uitvoert

a)

orgaanstelsel

b)

orgaan

c)

long

d)

weefsel

2.

een groep samenwerkende organen

a)

orgaangroep

b)

orgaankolonie

c)

orgaanstelsel

d)

organenclub

3.

waar bevinden de hoofdwortel, zijwortels en wortelharen zich?

a)

wortelstelsel

b)

vatenstelsel

c)

bladmoes

d)

fotosynthese

4.

wat zijn mineralen?

a)

beestjes

b)

water met beestjes

c)

water met zouten

d)

zouten

5.

stoffen die de plant niet meteen nodig heeft

a)

afvalstoffen

b)

vet

c)

reservestoffen

d)

waterstoffen

6.

hebben harde stengels (stammen) en takken

a)

houtachtige plant

b)

kruidachtige plant

7.

de stengels zijn alleen stevig bij voldoende water opname

a)

houtachtige plant

b)

kruidachtige plant

8.

daaraan zit het blad vast aan de stengel

a)

bladsteel

b)

bladmoes

c)

nerf

d)

bladstokje

9.

het platte gedeelte van de blad

a)

bladomvang

b)

bladschijf

c)

bladmoes

10.

zorgt voor transport in het blad

a)

bladsteel

b)

bladmoes

c)

nerven

11.

alles wat tussen de nerven ligt

a)

bladmoes

b)

bladschijf

c)

bladsteel

12.

worden lange dunne buisjes genoemd in de stengel

a)

gaten

b)

vaten

c)

snelweg

d)

nerven

13.

een groepje vaten bij elkaar

a)

vaatbundel

b)

vaatgroep

c)

vaatkolonie

14.

alle vaten van een plant noem je samen

a)

vatenbundel

b)

transportkanaal

c)

orgaanstelsel

d)

vatenstelsel

15.

bouwstenen van een organisme

a)

weefsels

b)

celkernen

c)

cellen

d)

orgaanstelsel

16.

een dikke vloeistof wat bestaat uit water met opgeloste stoffen en zwevende deeltjes (in een cel)

a)

celkern

b)

cytoplasma

c)

celmembraan

d)

bladgroenkorrels

17.

een dun vlies wat de inhoud van de cel scheid van de rest van de omgeving

a)

celmembraan

b)

celkern

c)

celwand

d)

cytoplasma

18.

wat stuurt de cel aan (het regelcentrum)

a)

kleurstofkorrels

b)

celwand

c)

celkern

d)

vacuole

19.

het dunne vliesje om de celkern heen

a)

zetmeelkorrel

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

kernmembraan

20.

een stevig laagje om een plantaardige cel

a)

celwand

b)

celmembraan

c)

celkern

d)

vacuole

21.

blaasje gevuld met vocht in een plantaardige cel

a)

bladgroenkorrels

b)

vacuole

c)

zetmeelkorrel

d)

celkern

22.

korrels met een speciale functie (plantaardige cel)

a)

vacuole

b)

plasma

c)

plastiden

23.

komt voor in de groene delen in een plant en er vind fotosynthese plaats

a)

kleurstofkorrels

b)

zetmeelkorrels

c)

bladgroenkorrels

d)

glucose

24.

plastide die bloemen en vruchten een kleur geven

a)

bladgroenkorrels

b)

kleurstofkorrels

c)

zetmeelkorrels

d)

celkern

25.

komen bijvoorbeeld voor in aardappels, rijst en brood

a)

bladgroenkorrels

b)

kleurstofkorrels

c)

zetmeelkorrels

26.

delen van een cel die een eigen functie hebben

a)

celorganellen

b)

organen

c)

celdeeltjes

d)

celstructuur

27.

lange dunne draden die opgeslagen liggen in de celkern

a)

nerven

b)

chromosomen

c)

lichaamscellen

28.

de cellen waaruit je lichaam is opgebouwd

a)

lichaamscellen

b)

stamcellen

c)

rode bloedcellen

d)

plasmacellen

29.

waaruit bestaan chromosomen

a)

ADN

b)

DNA

c)

DAN

d)

NAD

30.

een stuk DNA dat precies op een ander stuk DNA past

a)

puzzel

b)

basen

c)

paren

31.

A en T, C en G zijn een paar dus dat noemen we een

a)

paar

b)

basen

c)

basenpaar

32.

eigenschappen die je van je ouders krijgt

a)

gedragseigenschappen

b)

erfelijke eigenschappen

c)

uiterlijke kenmerken

33.

de manier waarop cellen zich vermenigvuldigen

a)

celgroei

b)

celdeling

c)

celopbouw

d)

celmodel

34.

de cel voordat deze gaat delen heet

a)

plantencel

b)

dochtercel

c)

moedercel

d)

dierlijke cel

35.

de twee cellen na het delen van de moedercel

a)

dochtercellen

b)

celkern

c)

celplasma

d)

celletje

36.

als het cytoplasma toeneemt heet het

a)

dochtercelgroei

b)

cytogroei

c)

plasmagroei

d)

moedercelgroei

37.

hoe heet een cel met een bepaalde functie

a)

stamcel

b)

gespecialiseerde cel

c)

functiecel

d)

moedercel

38.

het terugkerende proces van celdeling, groei en weer een nieuwe celdeling heet

a)

celtransport

b)

cyclus

c)

celroutine

d)

celcyclus

39.

cellen die zich oneindig vaak kunnen delen

a)

plantaardige cel

b)

stamcellen

c)

stampers

d)

dierlijke cel

40.

hoe heet de stamcel waaruit heel veel verschillende typen cellen uit kunnen ontstaan

a)

celkern stamcel

b)

lichamelijke stamcel

c)

embryonale stamcel