wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid en voortplanting klas 2

Total questions: 43

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Het genotype van een organisme komt tot stand op het moment van de bevruchting.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

In de kern van een cel van een kat zitten 19 chromosomen. Deze cel is een geslachtscel.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Bij sommige baby’s die geboren zijn met donker haar, wordt het haar na enkele maanden lichter. Tijdens de puberteit wordt het haar dan weer donkerder. De kleur van het haar vlak na de geboorte wordt beïnvloed door geslachtshormonen van de moeder. Na een tijdje zijn die uit het bloed van de baby verdwenen. In de puberteit neemt de productie van geslachtshormonen bij het kind toe.


Verandert door de werking van de geslachtshormonen het fenotype voor haarkleur? En verandert het genotype erdoor?

a)

Alleen het fenotype verandert

b)

Alleen het genotype verandert

c)

Zowel het genotype als het fenotype verandert

d)

Geen van beide verandert

4.

Welk organisme bevat evenveel chromosomen als de mens.

a)

Tarwe

b)

Hond

c)

Veldmuis

d)

Chimpansee

5.

Welk organisme heeft 21 chromosomen in zij of haar geslachtscellen zitten?

a)

Tomaat

b)

Tarwe

c)

Mens

d)

Konijn

6.

Bij welk(e) nummer(s) is het genotype nog onbekend.

a)

1 en 4

b)

1 en 2

c)

2 en 3

d)

1 en 3

e)

2 en 4

7.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot:

a)

Cel - chromosoom - DNA - gen

b)

DNA - gen - chromosoom - cel

c)

Gen - DNA - chromosoom - cel

d)

Gen - chromosoom - DNA - cel

8.

Je ziet in de afbeelding verschillende stadia van een metamorfose van een vlinder. Welke van de volgende zinnen klopt?

a)

In alle stadia van de metamorfose is het fenotype gelijk.

b)

In alle stadia van de metamorfose is het genotype gelijk

c)

In alle stadia van de metamorfose is zowel het fenotype als genotype gelijk

d)

In alle stadia van de metamorfose is zowel het fenotype als genotype anders

9.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
10.

Door mutaties en geslachtelijke voortplanting kunnen organismen ontstaan met nieuwe genotypen.

a)

juist

b)

onjuist

11.

Straling is een mutagene invloed.

a)

juist

b)

onjuist

12.

Het ontstaan en verdwijnen van diersoorten zijn allebei onderdelen van evolutie.

a)

juist

b)

onjuist

13.

Geslachtschromosomen bepalen of je man of vrouw bent. Welke combinatie is juist?

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

14.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

15.

Jesse's haarkleur is zwart. Dit heeft hij blauw geverfd. Wat is zijn genotype?

a)

Zwart

b)

Blauw

c)

Zwart en blauw

d)

Beide kleuren niet

16.
Wie verzon de evolutie theorie?
a)
Albert Einstein
b)
Leonardo da Vinci
c)
Apollo
d)
Charles Darwin
17.

Het lichaam van onze voorouders is veranderd door erfelijke variatie en natuurlijke selectie

a)

waar

b)

niet waar

18.
Voorbeelden van rudimentaire organen bij de mens zijn:
a)
dunne dram en staartbeen
b)
dunne darm en blinde darm
c)
blinde darm en staartbeen
19.

Waarom zijn fossielen een belangrijk argument voor de evolutietheorie?

a)

Door fossielen kunnen we aantonen dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

b)

Door fossielen weten we de afstamming van alle soorten

c)

Uit fossielen kan DNA worden gehaald. Dit DNA geeft aan dat door de loop van de tijd soorten zijn ontstaan, verdwenen en veranderd.

d)

Fossielen geven te weinig informatie over de evolutie van soorten en het is een te zwak argument voor de evolutietheorie.

20.

Welke onderdelen hebben de grootste kans om een fossiel te worden?

a)

botten en tanden

b)

spieren en pezen

c)

rudimenten

d)

huid en haren

21.

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn. Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

Nee

b)

Ja, van kunstmatige selectie

c)

Ja, van seksuele selectie

d)

Ja, van natuurlijke selectie

22.

Drie groepen roofdieren zijn: de hondachtigen, de wasbeerachtigen en de zeehonden.

Aan welke van deze groepen zijn de beren het meest verwant volgens de informatie?

a)

A. aan de zeehonden

b)

B. aan de wasbeerachtigen

c)

C. aan de hondachtigen

23.

Naar aanleiding van de afbeelding worden twee uitspraken gedaan.

Welke is/zijn juist?

a)

Cebochoerus is de voorouder van alle varkensachtigen.

b)

Het wild zwijn is meer verwant aan het hertzwijn dan aan het gewoon wrattenzwijn.

24.

Geef de naam van het tijdperk waarin Microstonyx is uitgestorven.

(a)  

25.

Hoeveel groepen varkensachtigen waren er aan het eind van het oligoceen?

(a)  

26.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

27.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

28.

Wanneer is een vrouw het meest vruchtbaar?

a)

Vlak na de menstruatie

b)

Vlak voor de menstruatie

c)

Vlak na de eisprong

d)

Vlak voor de eisprong

29.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

30.
Nisa is op 1 maart voor het eerst ongesteld. Wanneer vindt haar volgende menstruatie weer plaats?
a)
29 Maart
b)
30 Maart
c)
31 Maart
d)
1 April
31.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
32.

De menstruatie van een vrouw is een cyclus. Wat betekent dit?

a)

Dat het een keer gebeurd.

b)

Dat het steeds opnieuw gebeurd.

c)

Dat het normaal is.

d)

Dat het onregelmatig gebeurd.

33.

Welke vorm van geboorteregeling wordt hieronder beschreven

In de vruchtbare periode rond de eisprong hebben man en vrouw geen gemeenschap. Zeer onbetrouwbaar.

a)

Onderbroken geslachtsgemeenschap

b)

Periodieke onthouding

c)

Coïtus interruptus

34.

Is de balzak een primaire of secundaire geslachtskenmerk?

a)

Primaire

b)

Secundaire

35.

Welke situatie laat een biseksuele relatie zien?

a)

Jongen - Jongen

b)

Jongen - Meisje

c)

Meisje - Meisje

d)

Zowel verliefd kunnen worden op jongens en meisjes

36.

Er zijn verschillende fase bij de bevalling.

1 Uitdrijving.

2 Ontsluiting.

3 Weeën.

Wat is de juiste volgorde tijdens een bevalling?

a)

1 - 2 - 3

b)

2- 3 - 1

c)

3 - 2 - 1

d)

3 - 1 - 2

37.

Welke voorbehoedsmiddelen beschermen tegen zwangerschap?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Spiraal

b)

Condoom

c)

Vrouwencondoom

d)

Pil

e)

Sterilisatie

38.

Bij een gesteriliseerde vrouw rijpen er nog eicellen.

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

40.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

41.

Wat is de duur van de zwangerschap?

a)

35 weken

b)

39 weken

c)

40 weken

d)

28 weken

42.

een condoom..

a)

kan meerdere malen gebruikt worden en gaat niet over de datum.

b)

kan maar één maal gebruikt worden en gaat niet over de datum.

c)

kan maar één maal gebruikt worden en gaat wel over de datum.

d)

kan meerdere malen gebruikt worden en gaat wel over de datum.

43.

De morning-afterpil...

a)

Moet binnen 12 uur ingenomen worden.

b)

Moet binnen 3 dagen ingenomen worden.

c)

Moet binnen 24 uur binnen genomen worden.