wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerstof T3 PW

Total questions: 71

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Welke 2 organen horen tot het bloedvatenstelsel?

a)

hart en bloed

b)

bloed en ader

c)

hart en ader

d)

bloedvaten en hart

2.

In welke holte zit het hart?

(a)  

3.

Bloed bestaat uit:

a)

Bloedplasma en water

b)

Bloedplasma en eiwitten

c)

Bloedplasma en bloedcellen

d)

Bloedplasma en afvalstoffen

4.

Wat is de rol van het bloedplasma?

a)

ziektes bestrijden

b)

voedingsstoffen vervoeren

c)

vervoer van zuurstof

d)

bloed stollen

5.

Wat stelt nummer 1 voor?

a)

witte bloedcel

b)

rode bloedcel

c)

bloedplasma

d)

bloedplaatje

6.

Welk deel van het bloed vind je bovenin als je bloed centrifugeert?

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplasma

d)

bloedplaatjes

7.
In de afbeelding hiernaast tref je een aantal verschillende bloeddeeltjes aan. Wat wordt in de afbeelding aangegeven met nummer 3
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedpaatjes
d)
Bloedplasma
8.
Met welke nummer wordt witte bloedcellen aangeven?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
9.

Wat zorgt voor het rode kleur van het bloed?

a)

rode bloedcellen

b)

witte bloedcellen

c)

bloedplasma

d)

bloedplaatjes

10.
Welk  bloedbestanddeel van de mens is het meest geschikt om voedingsstoffen te transporteren (vervoeren)?
a)
Rode bloedcellen
b)
Bloedplaatjes 
c)
Witte bloedcellen
d)
Bloedplasma
11.

In deze bloedsomloop wordt het bloed O2-rijk

a)

grote bloedsomloop

b)

kleine bloedsomloop

12.

Welk bloed vervoeren de bloedvaten die op de afbeelding rood gekeurd zijn ?

a)

O2-arm bloed

b)

O2-rjik bloed

13.

Hoeveel soorten bloedvaten heb je in je lichaam?

a)

1

b)

3

c)

veel te veel

14.

Welke bloedvaten hebben een dikke

wand?

a)

haarvaten

b)

ader

c)

slagader

15.

Deze bloedvaten hebben een doorlatende

wand.  Zo kunnen stoffen uitgewisseld

worden in de lichaamscellen.

a)

haarvaten

b)

ader

c)

slagader

16.

Welk soort bloedvat heeft kleppen?

(a)  

17.

Welk soort bloedvat staat afgebeeld?

(a)  

18.

De roodgekleurde bloedvat is een ...

a)

ader

b)

haarvat

c)

slagader

19.

In het haarvat ...

a)

wordt zuurstofarm bloed weer zuurstofrijk

b)

wordt zuurstof afgegeven en koolstofdioxide opgenomen

20.

Hoeveel bloedsomlopen heeft het lichaam?

(a)  

21.

Welk soort bloed brengt de longslagader van het hart naar de longen?

a)

O2-arm bloed

b)

O2-rijk bloed

22.

Welk antwoord is juist?

a)

hart>slagader>longen

b)

hart>ader>longen

c)

lichaam>slagader>hart

d)

lichaam>ader>hart

23.

Wat is geen materie?

a)

plastic

b)

droom

c)

auto

d)

leder

24.

Uit hoeveel stoffen bestaat deze materie?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

14

25.
In welke fase zijn de aantrekkingskrachten het grootst?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
d)
alle fasen
26.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
27.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
28.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
29.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
30.
Bij welke faseovergang worden de aantrekkingskrachten tussen de moleculen groter?
a)
smelten
b)
condenseren
c)
verdampen
d)
vervluchten/sublimeren
31.

Welke fase worden hier afgebeeld van links naar rechts?

a)

vast-vloeibaar-gas

b)

gas-vloeibaar-vast

c)

vast-gas-vloeibaar

d)

Uit deze afbeelding kan ik geen fase aflezen

32.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

33.

De moleculen trillen op hun plaats. Bij welke fase hoort deze beschrijving?

a)

Gas

b)

Vast

c)

Vloeibaar

d)

Opgelost

34.

Afstand tussen de deeltjes van een vloeistof

a)

Ver van elkaar

b)

Dicht bij elkaar

c)

Tegen elkaar

35.

Een mengsel

a)

1 soort deeltjes

b)

Meerdere soorten deeltjes

36.

Deeltjesmodel van een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

37.

Deeltjesmodel van een

a)

Zuivere stof

b)

Mengsel

38.

Afstand tussen de deeltjes van een gas

a)

Ver van elkaar

b)

Dicht bij elkaar

c)

Tegen elkaar

39.

Afstand tussen de deeltjes van een vloeistof

a)

Ver van elkaar

b)

Dicht bij elkaar

c)

Tegen elkaar

40.

Duid de aggregatietoestanden aan.

a)

Vast

b)

Vloeibaar

c)

Gasvormig

d)

Faseovergang

e)

Waterdamp

41.

Snelheid van deeltjes van een vaste stof

a)

Heel snel bewegen

b)

Traag bewegen

c)

Trillen

42.

Snelheid van deeltjes van een gas

a)

Heel snel bewegen

b)

Traag bewegen

c)

Trillen

43.

Bij een temperatuurstijging gaat het volume van een gas toenemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Bij een temperatuurstijging gaat het volume van een vaste stof toenemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

45.

De faseovergang van vast naar vloeibaar

a)

Stollen

b)

Smelten

c)

Verdampen

d)

Condenseren

46.

Faseovergang van een gas naar een vaste stof

a)

Condenseren

b)

Sublimeren

c)

Desublimeren

d)

Stollen

47.

De faseovergang van een gas naar een vloeistof

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Stollen

d)

Sublimeren

48.

De faseovergang van een vloeistof naar een gas

a)

Verdampen

b)

Condenseren

c)

Stollen

d)

Sublimeren

49.

Dit laat een mengsel zien?

a)

Waar

b)

Niet Waar

50.

Wat is geen mengsel?

a)

Wijn

b)

Kraanwater

c)

Suiker

d)

Cola

51.

Is dit een zuivere stof of een mengsel?

a)

Mengsel

b)

Zuivere stof

52.

Dit is een deeltjesmodel van een ...?

a)

zuivere stof

b)

mengsel

53.
a)

condenseren

b)

verdampen

c)

smelten

d)

bevriezen

54.
a)

verdampen

b)

condenseren

c)

bevriezen

d)

smelten

55.
a)

verdampen

b)

condenseren

c)

bevriezen

d)

smelten

56.

De koude lucht in de winter doet ijsbloemen op het vensterraam verschijnen.

a)

desublimeren

b)

sublimeren

c)

bevriezen

d)

smelten

57.
a)

desublimeren

b)

condenseren

c)

sublimeren

d)

smelten

58.

Bij verwarming van een stof zullen de hoeveelheid moleculen...

a)

toenemen

b)

gelijk blijven

c)

afnemen

59.

Bij verwarming zullen de moleculen...

a)

van vorm veranderen

b)

niet van vorm veranderen

60.

Bij verwarming verandert de grootte van de moleculen...

a)

juist

b)

fout

61.

Bij verwarming van een stof wordt de ruimte tussen de moleculen...

a)

groter

b)

blijft gelijk

c)

kleiner

62.

Bij afkoeling van een stof wordt het volume...

a)

groter

b)

blijft gelijk

c)

kleiner

63.

Bij verwarming van een stof zullen de hoeveelheid moleculen...

a)

toenemen

b)

gelijk blijven

c)

afnemen

64.

Bij verwarming zullen de moleculen...

a)

van vorm veranderen

b)

niet van vorm veranderen

65.

Bij verwarming verandert de grootte van de moleculen...

a)

juist

b)

fout

66.

Bij verwarming van een stof wordt de ruimte tussen de moleculen...

a)

groter

b)

blijft gelijk

c)

kleiner

67.

Bij afkoeling van een stof wordt het volume...

a)

groter

b)

blijft gelijk

c)

kleiner

68.

Kies de juiste uitspraak...

a)

thermometer zijn een toepassing van de uitzetting van gas

b)

de rode vaste stof zet uit bij verwarming

c)

bij afkoeling van een stof gaan de moleculen meer botsen

d)

thermometers zijn een toepassing van de uitzetting van een vloeistof

69.

De thermische beweging van de moleculen van de hoogspanningskabels neemt bij verwarming...

a)

toe

b)

af

70.

Deze foto is genomen in de...

a)

zomer

b)

winter

71.

Deze foto is genomen in de...

a)

zomer

b)

winter