Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets thema 3 (3.1 t/m 3.8)

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Elk chromosoom bevat (a)   genen?

2.

De informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme heet het?

(a)  

3.

Alle uiterlijke waarneembare eigenschappen noem je het?

(a)  

4.
In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir. Twee jaar later is hij volwassen geworden. Heeft  het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier? 
a)
juist
b)
onjuist
5.
Pim heeft een broertje Thijs en een zusje Anna.  Hebben Pim, Thijs en Anna hetzelfde DNA? 
a)
juist
b)
onjuist
6.
Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen? 
a)
juist
b)
onjuist
7.

Je genotype ontstaat bij de bevruchting van een eicel door een zaadcel

a)

waar

b)

niet waar

8.

Waar is dit een foto van ?

a)

Chromosomen

b)

zaadcellen

c)

eicellen

d)

DNA

9.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

10.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

11.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

12.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

13.

Is een gen een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor alle erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

14.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

15.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

16.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

17.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Een tuinliefhebber heeft in de tuin een hortensia met roze bloemen.
Welke twee factoren bepalen de kleur van de bloemen?

a)

Het genotype en de zuurgraad van de grond bepalen de kleur

b)

Het fenotype en de zuurgraad van de grond bepalen de kleur

c)

Het genotype van de grond bepaald de kleur

d)

De zuurgraad van de grond bepaald de kleur

e)

Het genotype en het fenotype van de grond bepalen de kleur

19.

Het COMT-gen kent twee varianten. Wat is een ander woord voor een ‘variant van een gen’?

(a)  

20.

Een persoon die in elke celkern twee allelen heeft voor steil haar, is voor deze eigenschap

(a)  

21.

Een persoon die heterozygoot is voor de eigenschap haarvorm, heeft in elke celkern twee (a)   allelen voor deze eigenschap.

22.

Bij rozen zijn er allelen voor rode bloemkleur en voor witte bloemkleur. In het fenotype komen rode, witte en roze bloemen voor. Welk antwoord is juist?

a)

Deze bloemen zijn intermediair

b)

Deze bloemen zijn homozygoot recessief

c)

Deze bloemen zijn heterozygoot recessief

d)

Deze bloemen zijn homozygoot dominant

e)

Deze bloemen zijn heterozygoot dominant

23.

Een andere plantensoort is heterozygoot voor bloemkleur en heeft een allel voor rode bloemen en een allel voor witte bloemen. Deze plant heeft rode bloemen als fenotype?

EN

Het allel voor rode bloemen is?

a)

Nee

Dominant

b)

Nee

Recessief

c)

Nee

Geen van beide

d)

Ja

Dominant

e)

Ja

Recessief

24.

In de afbeelding zijn de lichaamscellen van vier verschillende personen schematisch getekend. Vier allelen zijn aangegeven. Op de chromosomen liggen genen voor de lengte van de wimpers en voor rechts- of linkshandigheid. Bekijk de lichaamscel van Marloes.

Is Marloes heterozygoot of homozygoot voor de eigenschap ‘lengte van de wimpers’?



(a)  

25.

Marloes heeft lange wimpers. Is de eigenschap ‘lange wimpers’ dominant of recessief?

a)

Dominant

b)

Recessief

c)

Geen van beide

d)

Intermediair

26.

Beantwoord van de vier deelnemers aan deze test of ze rechtshandig of linkshandig zijn:

EN

of de wimpers lang of kort zijn:

a)

Rachel: Rechtshandig & lange wimpers

Erwin: Rechtshandig & lange wimpers

Marloes: linkshandig & lange wimpers

Jos: Rechtshandig & korte wimpers

b)

Rachel: linkshandig & lange wimpers

Erwin: Rechtshandig & lange wimpers

Marloes: linkshandig & lange wimpers

Jos: Rechtshandig & korte wimpers

c)

Rachel: Rechtshandig & lange wimpers

Erwin: Rechtshandig & lange wimpers

Marloes: linkshandig & lange wimpers

Jos: Linkshandig & korte wimpers

d)

Rachel: Rechtshandig & lange wimpers

Erwin: Rechtshandig & lange wimpers

Marloes: linkshandig & lange wimpers

Jos: Rechtshandig & lange wimpers

e)

Rachel: Rechtshandig & lange wimpers

Erwin: Rechtshandig & korte wimpers

Marloes: linkshandig & korte wimpers

Jos: Rechtshandig & korte wimpers

27.

Lees de tekst ‘Sclerosteose’.

Komt het gen voor sclerosteose voor op de geslachtschromosomen (X- of Y-chromosoom) of op een van de andere chromosomenparen uit de celkern? Leg je antwoord uit.

a)

Het gen voor sclerosteose komt WEL voor op de geslachtschromosomen, maar de geslachtschromosomen hier geen invloed op hebben

b)

Het gen voor sclerosteose komt NIET voor op de geslachtschromosomen, omdat de geslachtschromosomen hier geen invloed op hebben

c)

Het gen voor sclerosteose komt WEL voor op de geslachtschromosomen, omdat sclerosteose bij mannen en vrouwen even vaak voorkomt. (Een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Vrouwen hebben twee X-chromosomen. Stel dat dit gen op het X-chromosoom zou liggen. Dan zouden mannen vaker deze aandoening hebben dan vrouwen.

d)

Het gen voor sclerosteose komt NIET voor op de geslachtschromosomen, omdat sclerosteose bij mannen en vrouwen even vaak voorkomt. (Een man heeft een X- en een Y-chromosoom. Vrouwen hebben twee X-chromosomen. Stel dat dit gen op het X-chromosoom zou liggen. Dan zouden mannen vaker deze aandoening hebben dan vrouwen.

28.

Hoe geef je bij een kruising de ouders aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

d)

Met OFFSPRING

29.

In de afbeelding zie je muizen met een verschillende vachtkleur. Bij muizen is het allel voor een zwarte vacht (H) dominant over het allel voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot is voor de vachtkleur, wordt gekruist met een wit mannetje. De nakomelingen van deze muizen worden gekruist waardoor een F2 ontstaat.

Wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

Vrouwtje HH

Mannetje hh

b)

Vrouwtje Hh

Mannetje hh

c)

Vrouwtje Hh

Mannetje Hh

d)

Vrouwtje hh

Mannetje hh

e)

Vrouwtje HH

Mannetje HH

30.

Hoe groot is de kans dat een nakomeling in de F2 homozygoot recessief is voor de haarkleur?

a)

25%

b)

75%

c)

100%

d)

50%

31.

Hoe groot is de kans dat een muis in de F2 een zwarte vacht heeft?

a)

25%

b)

75%

c)

100%

d)

50%

32.

Bij leeuwenbekjes is een roze bloemkleur een intermediair fenotype. Twee leeuwenbekjes met roze bloemen planten zich onderling voort. De planten met roze bloemen hebben genotype ArAw. (Roze bloemen zijn het intermediaire fenotype en dat is een combinatie van het allel voor witte bloemen Aw en het allel voor rode bloemen Ar.)

Twee leeuwenbekjes met roze bloemen worden gekruist. Hoeveel procent kans is er op nakomelingen met rode bloemen?

a)

De kans op nakomelingen met rode bloemen (ArAr) is 25%.

b)

De kans op nakomelingen met rode bloemen (ArAr) is 50%.

c)

De kans op nakomelingen met rode bloemen (ArAr) is 75%.

d)

De kans op nakomelingen met rode bloemen (ArAr) is 100%.

33.

Bij leeuwenbekjes is een roze bloemkleur een intermediair fenotype. Twee leeuwenbekjes met roze bloemen planten zich onderling voort. De planten met roze bloemen hebben genotype ArAw. (Roze bloemen zijn het intermediaire fenotype en dat is een combinatie van het allel voor witte bloemen Aw en het allel voor rode bloemen Ar.)

Twee leeuwenbekjes met roze bloemen worden gekruist. Uit de kruising van twee leeuwenbekjes met roze bloemen worden 56 zaden (nakomelingen) gevormd. Hoeveel nakomelingen in de F1 zullen roze bloemen krijgen?

a)

Ongeveer 28 nakomelingen zullen roze bloemen krijgen. (De kans op ArAw is 50%. De helft van 56 is 28.)

b)

Ongeveer 56 nakomelingen zullen roze bloemen krijgen. (De kans op ArAw is 100%. Dus twee keer 28 is 56.)

c)

Ongeveer 14 nakomelingen zullen roze bloemen krijgen. (De kans op ArAw is 25%. De helft van 56 is 28. En daar weer de helft van is 14.)

34.

Een fruitvlieg met een zwart lichaam wordt gekruist met een fruitvlieg met een grijs lichaam. Alle individuen van de F1 zijn grijs. Deze F1-individuen worden onderling gepaard.

Van de 113 individuen van de F2 zijn er 84 grijs en 29 zwart.


Hoeveel van de 84 grijze individuen van de F2 zullen er, naar verwachting, heterozygoot zijn?

a)

28

b)

42

c)

56

d)

alle 84

35.

Een bijenvolk bestaat uit darren (mannelijke bijen), werksters (vrouwelijke bijen) en een koningin. In bron 1 zijn deze drie typen bijen weergegeven.

Darren ontstaan uit onbevruchte eicellen. Werksters en koninginnen ontstaan uit bevruchte eicellen. Een larve, ontstaan uit een bevruchte eicel, ontwikkelt zich afhankelijk van de hoeveelheid en de samenstelling van het toegediende voedsel tot een werkster of tot een koningin.

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan.

1 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een dar en een koningin spelen verschillen in genotype een belangrijke rol.

2 Bij het ontstaan van het verschil in fenotype tussen een werkster en een koningin spelen milieufactoren een belangrijke rol.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

Alleen bewering 1 is juist.

b)

Alleen bewering 2 is juist.

c)

De beweringen 1 en 2 zijn beide juist.

36.

Een voorbeeld van een Homozygote eigenschappen is:

a)

HH

b)

Hh

c)

hh

37.

de eerst geboren kinderen in een kruisingsschema noemen we

a)

p-generatie

b)

f1-generatie

c)

f2-generatie

38.

Seks valt onder welke vorm van voorplanting?

(a)  

39.

Twee geslachtscellen versmelten bij

a)

Geslachtelijke voortplanting

b)

ongeslachtelijke voortplanting

c)

Allebei

d)

Geen van alle

40.

Nakomelingen van ongeslachtelijke voortplanting hebben (a)   genotype

41.

Wat gebeurt er met een mutatie bij mitose?

a)

De mutatie komt in een van de dochtercellen

b)

de mutatie kom in beide dochtercellen

c)

De mutatie verdwijnt weer

d)

De mutatie zorgt voor meerdere ziektes

42.

Welke mutagene factor veroorzaakt baarmoederhalskanker?

a)

HPV

b)

Kanker

c)

Eierstokontsteking

d)

Eierstokkanker

43.

Kunnen een Afrikaanse olifant en een Indische olifant samen nakomelingen krijgen?

a)

Nee, want ze zijn van dezelfde soort

b)

Nee, want ze zijn van een ander soort

c)

Ja, want ze zijn van dezelfde soort

d)

Ja, want ze zijn van een ander soort

44.

Variatie binnen een populatie kan ontstaan door voortplanting en door.

a)

Geslachtelijke/mitose

b)

Geslachtelijke/mutatie

c)

Ongeslachtelijke/mitose

d)

Ongeslachtelijke/mutatie

45.

Wat zijn de andere twee uitgangspunten van de evolutietheorie?

a)

1 Veranderingen in fenotype.
2 Het ontstaan van bestaande soorten.

b)

1 Veranderingen in fenotype.
2 Het ontstaan van nieuwe soorten.

c)

1 Veranderingen in genotypen.
2 Het ontstaan van bestaande soorten.

d)

1 Veranderingen in genotypen.
2 Het ontstaan van nieuwe soorten.

e)

Veranderingen in DNA en fenotype.
2 Het ontstaan van nieuwe soorten.

46.

Wat is de betekenis van een ras?

a)

groep organismen die door bepaalde erfelijke eigenschappen verschilt van de rest van de soort; zijn kunstmatig ontstaan

b)

organismen die samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

c)

het ontstaan en veranderen van soorten gedurende lange tijd

d)

Veranderingen in genotypen: Door geslachtelijke voortplanting en mutaties ontstaan verschillende genotypen.

47.

Wat is het voordeel van een schutkleur voor een dier?

a)

Door de schutkleur valt een dier minder op. Het dier wordt daardoor minder snel gezien door roofdieren.

b)

Door de schutkleur valt een dier extra op. Het dier wordt daardoor minder snel gezien door roofdieren.

c)

Door de schutkleur valt een dier meer op. Het dier wordt daardoor minder snel gezien door roofdieren.

48.

Hoe heten versteende overblijfselen van organismen, of afdrukken van organismen in gesteenten?

(a)  

49.

Hoe heet een overblijfsel van een orgaan dat geen functie meer heeft?

(a)  

50.

Hoeveel procent overeenkomst bestaat er tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap?

a)

Tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap bestaat 95% overeenkomst.

b)

Tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap bestaat 87% overeenkomst.

c)

Tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap bestaat 69% overeenkomst.

d)

Tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap bestaat 54% overeenkomst.

e)

Tussen het eiwit hemoglobine van de mens en dat van de aap bestaat 100% overeenkomst.

51.

Welk organisme is meer verwant aan de mens: de kikker of de muis?

(a)  

52.

Een vis heeft geen bekken. Bij walvissen is het bekken rudimentair.

Zijn walvissen in de evolutie waarschijnlijk ontstaan uit vissen of uit landzoogdieren? Leg je antwoord uit.

a)

Walvissen zijn waarschijnlijk uit landzoogdieren ontstaan, want zij hebben (net als landzoogdieren) een bekken.

b)

Walvissen zijn waarschijnlijk uit water zoogdieren ontstaan, want zij hebben (net als landzoogdieren) een bekken.

c)

Walvissen zijn waarschijnlijk uit water zoogdieren ontstaan, want zij hebben (net als landzoogdieren) een ruggengraat.

d)

Walvissen zijn waarschijnlijk uit landzoogdieren ontstaan, want zij hebben (net als landzoogdieren) een ruggengraat.

53.

Welke functie kunnen de staartwervels bij voorouders van de mens hebben gehad?

a)

Een functie als grijp- en steunorgaan (bijvoorbeeld bij het klimmen in bomen).

b)

Een functie als evenwichtsorgaan

c)

Een functie als voortplantingsorgaan

d)

Een functie als balts orgaan

e)

Het is geen rudimentair orgaan

54.

De verzamelnaam voor technieken, waarbij organismen worden gebruikt om producten voor mensen te maken, is

(a)  

55.

Het aanpassen van de erfelijke eigenschappen van een organisme heet

(a)  

56.

Technieken waarmee DNA van een soort wordt toegevoegd aan het DNA van een andere soort, zijn (a)   -technieken.

57.

Organismen waarvan de erfelijke eigenschappen door de mens zijn veranderd, heten?

(a)  

58.

De politie vindt bloed op de plaats van een misdaad. Na onderzoek worden drie mensen ervan verdacht de misdaad te hebben gepleegd. Om de dader te vinden, wordt DNA-onderzoek gedaan. In afbeelding 2 zie je de resultaten van het onderzoek.

Welke verdachte moet de politie arresteren?

a)

De politie moet verdachte 1 arresteren. Zijn DNA-patroon is gelijk aan het DNA-patroon van het bloedspoor.

b)

De politie moet verdachte 2 arresteren. Zijn DNA-patroon is gelijk aan het DNA-patroon van het bloedspoor.

c)

De politie moet verdachte 3 arresteren. Zijn DNA-patroon is gelijk aan het DNA-patroon van het bloedspoor.

d)

De politie moet verdachte 1 & 2 arresteren. Zijn DNA-patroon is gelijk aan het DNA-patroon van het bloedspoor.

e)

De politie moet verdachte 2 & 3 arresteren. Zijn DNA-patroon is gelijk aan het DNA-patroon van het bloedspoor.

59.

Is de verdachte opgespoord aan de hand van zijn genotype of van zijn fenotype?



(a)  

60.

In afbeelding 4 zie je hoe een gen van een mens wordt overgebracht in een muis. Het gen wordt ingebracht in een chromosoom van een bevruchte eicel van de muis. Hierdoor kan de functie van een menselijk gen worden onderzocht. Is dit een voorbeeld van genetische modificatie? Leg je antwoord uit.

a)

Ja, dit is genetische modificatie, want de mens verandert de erfelijke eigenschappen van de muis.

b)

Nee, dit is genetische modificatie, want de mens verandert de erfelijke eigenschappen van de muis.

c)

Ja, dit is genetische modificatie, want de mens verandert de erfelijke eigenschappen van de muis niet

d)

Nee, dit is genetische modificatie, want de mens verandert de erfelijke eigenschappen van de muis niet

e)

Niet genoeg informatie