wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Cellen en tekenregels

Total questions: 41

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Klik een van de tekenregels aan

a)

Teken met een scherp grijs potlood

b)

Teken schetsend

c)

Kleur grote vlakken in

d)

Trek rechte lijnen en benoem de onderdelen

2.

Wat voor soort tekening is dit?

a)

Een schematische tekening

b)

Een natuurgetrouwe tekening

3.

Wat is geen tekenregel?

a)

Teken groot

b)

Schrijf er altijd bij wat je getekend hebt

c)

Je moet altijd een doorsnede tekenen

d)

Teken eerst dun en als het goed is ,maak je de lijnen dikker

4.

Welke afbeelding geeft een natuurgetrouwe tekening weer?

a)
b)
c)
5.

Bij een biologische tekening moet je ook benoemen welke onderdelen je ziet

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Wanneer je een organisme, bijv. een appel, van de buitenkant bekijkt en tekent, dan noem je dit een...?

a)

Lengtedoorsnede

b)

Dwarsdoorsnede

c)

Buitenaanzicht

7.
Op de afbeelding zie je een voorbeeld van ......
a)
een natuurgetrouwe tekening van een bloem
b)
een schematische tekening van een bloem
8.

Wat hoort niet bij de omschrijving van een schematische tekening?

a)

bijna alle details worden getekend

b)

je kleurt de tekening altijd in

c)

alleen de belangrijkste details worden getekend

9.

Welke van de onderstaande regels is geen tekenregel?

a)

je kleurt met stiften

b)

je kleurt met kleurpotloden

c)

je werkt netjes

d)

je tekent met een potlood

10.

Welke van de onderstaande regels is een goede tekenregel?

a)

je hoeft geen titel bovenaan je blad te schrijven

b)

de delen geef je aan met een verticale lijn

c)

je tekent klein

d)

je tekent wat je ziet

11.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
12.
Deze cellen hebben een celmembraan.
a)
Dieriljke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Beide de soorten cellen
d)
Allebei niet
13.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Allebei de soorten cellen

d)

Allebei niet

14.
Deze cellen vormen intercellulaire holtes.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten cellen
d)
Allebei niet
15.
Deze cellen hebben een grote centrale vacuole.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten cellen 
d)
Allebei niet
16.

Onderdeel 1 heet

a)

Cytoplasma

b)

Vacuole

c)

Kern

17.

De celkern is aangegeven met

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

7

18.

1 is de

a)

celwand

b)

celvand

c)

celmern

d)

celkern

19.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

20.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

21.

11 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

22.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

23.

14 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

24.

15 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

25.

Je ziet hier

a)

een plantencel en een schimmelcel

b)

een plantencel en een bacteriecel

c)

een plantencel en een dierlijke cel

d)

twee plantencellen

26.

4 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

27.

Plantencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

28.

Dierencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

29.

Bacteriecellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

30.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Zowel dierlijke als plantaardige cellen

d)

Dierlijke en plantaardige cellen niet

31.
Wat is het plaatje?
a)
Cel
b)
Weefsel
c)
Orgaan
d)
Orgaanstelsel
32.

Dierlijke cellen hebben bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

33.

Cellen zijn plat

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Waar pak je een microscoop aan vast?

a)

De statief

b)

De tubus

c)

De oculair

d)

De tafel

35.

Wat is geen celkenmerk van de bacteriën?

a)

Celmembraan

b)

Celkern

c)

Celwand

d)

Cytoplasma

36.

Wat is geen celkenmerk van dierlijke cellen?

a)

Celwand

b)

Cytiplasma

c)

Celkern

d)

Celmembraan

37.

Wat is geen celkenmerk van schimmelcellen?

a)

Bladgroenkorrels

b)

Celkern

c)

Celwand

d)

Cytoplasma

38.

Welke cellen passen bij deze omschrijving: celkern, celwand, celkern?

a)

Bacteriën

b)

Schimmels

c)

Planten

d)

Dieren

39.

Van welk rijk zie je hier de cel?

a)

Plantencel

b)

Bacteriecel

c)

Schimmelcel

d)

Dierencel

40.

Van welk rijk zie je hier de cel?

a)

Plantencel

b)

Schimmelcel

c)

Bacteriecel

d)

Dierlijke cel

41.

Van welk rijk zie je hier de cel?

a)

Plantencel

b)

Schimmelcel

c)

Dierlijke cel

d)

Plantencel