wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenquiz 2.4 Werking van het netvlies: Staafjes en kegeltjes

Total questions: 40

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Welke functie hebben staafjes in het netvlies vooral?

a)

Zien bij weinig licht en contrasten waarnemen

b)

Alleen kleuren waarnemen in fel zonlicht

c)

Details scherpstellen in de gele vlek

d)

Signalen rechtstreeks naar de oogzenuw sturen

2.

Welke uitspraak over kegeltjes is juist?

a)

Ze zijn kleurgevoelig en werken goed bij veel licht

b)

Ze werken vooral in het donker en zien geen kleur

c)

Ze zijn talrijker dan staafjes in het netvlies

d)

Ze reageren allemaal even sterk op elke kleur

3.

Ongeveer hoeveel staafjes bevat een menselijk netvlies?

a)

Ongeveer 120 miljoen cellen

b)

Ongeveer 5 miljoen cellen

c)

Ongeveer 10 miljoen cellen

d)

Ongeveer 50 miljoen cellen

4.

Ongeveer hoeveel kegeltjes bevat het netvlies?

a)

Ongeveer 5 miljoen cellen

b)

Ongeveer 120 miljoen cellen

c)

Ongeveer 30 miljoen cellen

d)

Ongeveer 1 miljoen cellen

5.

Waarom kun je met staafjes in het donker nog vormen herkennen?

a)

Ze zijn ongeveer 50 keer lichtgevoeliger dan kegeltjes

b)

Ze sturen sterkere impulsen naar de hersenen

c)

Ze liggen dichter bij de oogzenuw dan kegeltjes

d)

Ze bevatten drie soorten kleurpigmenten

6.

Welke combinatie beschrijft de drie typen kegeltjes correct?

a)

Elk type is het gevoeligst voor rood, groen of blauw

b)

Elk type is even gevoelig voor alle kleuren

c)

Twee typen zien kleur, één type ziet grijswaarden

d)

Alle typen registreren alleen intensiteit van licht

7.

Wat verklaart dat je ongeveer 10 miljoen kleuren kunt onderscheiden?

a)

De gecombineerde werking van de drie typen kegeltjes

b)

De overweldigende hoeveelheid staafjes in het netvlies

c)

De directe verbinding tussen staafjes en oogzenuw

d)

De pupilreflex die meer licht binnenlaat

8.

Je staart lang naar een rood voorwerp en kijkt daarna naar een wit blad. Wat zie je waarschijnlijk en waarom?

a)

Een groen nabeeld door vermoeidheid van rood-kegeltjes

b)

Een rood nabeeld door activatie van staafjes

c)

Geen nabeeld omdat wit alle kleuren bevat

d)

Een blauw nabeeld door extra gevoeligheid van staafjes

9.

Wat is de directe oorzaak van een nabeeld nadat je lang naar een gekleurd voorwerp staart?

a)

Vermoeide kegeltjes reageren tijdelijk minder sterk

b)

Staafjes blijven te lang actief bij fel licht

c)

De pupil sluit te traag bij kleurprikkels

d)

Het ooglid filtert restlicht na het knipperen

10.

Je staart een tijd naar een rood vlak en kijkt daarna naar een witte muur. Welke kleur zie je waarschijnlijk als nabeeld?

a)

Blauwgroen omdat roodkegeltjes vermoeid zijn

b)

Geel omdat rood en groen samen actief zijn

c)

Magenta omdat blauw en rood samenblijven

d)

Zwart omdat alle kegeltjes uitgeschakeld zijn

11.

Welke uitspraak over de verdeling en gevoeligheid van kegeltjes is het meest correct?

a)

Ongeveer 65% roodgevoelig, 33% groengevoelig, 2% blauwgevoelig

b)

Ongeveer 33% roodgevoelig, 65% groengevoelig, 2% blauwgevoelig

c)

Ongeveer 50% roodgevoelig, 25% groen, 25% blauwgevoelig

d)

Ongeveer 2% roodgevoelig, 33% groen, 65% blauwgevoelig

12.

Waarom zie je de kleur geel als geel, hoewel er geen ‘geelkegeltjes’ bestaan?

a)

Combinatie van rood- en groenkegeltjes stimuleert gelijktijdig

b)

Staafjes coderen geel bij weinig omgevingslicht

c)

Blauw- en groenkegeltjes vormen samen het geel

d)

De ooglens voegt rood en groen optisch samen

13.

Welke eigenschap onderscheidt staafjes het duidelijkst van kegeltjes?

a)

Veel hogere lichtgevoeligheid bij weinig licht

b)

Sterkere gevoeligheid specifiek voor rood

c)

Gelijke verdeling over fovea centralis

d)

Snellere herstelduur na vermoeidheid

14.

Je kijkt langdurig naar een blauw vlak. Welke cellen blijven vooral actief in het nabeeld en welke kleur verwacht je te zien?

a)

Rood- en groenkegeltjes blijven actief, je ziet geel

b)

Rood- en groenkegeltjes blijven actief, je ziet magenta

c)

Blauwekegeltjes blijven actief, je ziet cyaan

d)

Staafjes blijven actief, je ziet donkergrijs

15.

In welke situatie leveren staafjes de meeste bijdrage aan je zicht?

a)

Schemertoestand met zeer weinig licht aanwezig

b)

Fel zonlicht midden op de dag buiten

c)

Kleuren vergelijken onder een daglichtlamp

d)

Lezen van kleine tekst op een wit blad

16.

Waar bevinden staafjes zich in het netvlies het meest geconcentreerd? Bekijk de diagrammen.

a)

Vooral aan de buitenzijde van het netvlies

b)

Alleen in het midden bij de gele vlek

c)

Verspreid gelijkmatig over het hele netvlies

d)

Alleen naast de oogzenuwopening

17.

Wat kenmerkt de gele vlek het best?

a)

Gebied met uitsluitend kegeltjes

b)

Gebied met uitsluitend staafjes

c)

Gebied zonder fotoreceptoren

d)

Gebied met vooral bloedvaten

18.

Welke uitspraak over de blinde vlek is correct?

a)

Daar zitten geen staafjes en geen kegeltjes

b)

Daar zitten vooral veel staafjes

c)

Daar zitten alleen blauwe kegeltjes

d)

Daar is de scherpste kleurwaarneming

19.

Waarom zie je kleuren het scherpst als je iets recht aankijkt?

a)

Kegeltjes liggen geconcentreerd rond de gele vlek

b)

Staafjes reageren sneller bij weinig licht

c)

Blinde vlek versterkt het centrale beeld

d)

Staafjes en kegeltjes zijn gelijk verdeeld

20.

Wat gebeurt er met je waarneming als een beeld precies op de blinde vlek valt?

a)

Je ziet daar niets omdat receptoren ontbreken

b)

Je ziet het wazig door teveel staafjes

c)

Je ziet het alleen in grijstinten

d)

Je ziet het extra scherp door minder cellen

21.

Welke verdeling past bij staafjes versus kegeltjes?

a)

Staafjes meer perifeer, kegeltjes meer centraal

b)

Staafjes meer centraal, kegeltjes meer perifeer

c)

Beide overal gelijk verdeeld

d)

Beide alleen aanwezig in de blinde vlek

22.

Welke stof in staafjes maakt lichtwaarneming mogelijk door te reageren op licht?

a)

Rodopsine in de staafjes

b)

Vitamine A in de lens

c)

Melanine in het vaatvlies

d)

Keratine in het hoornvlies

23.

Wat gebeurt er direct met een fotopigment wanneer het door licht wordt geprikkeld?

a)

Het pigment ontbindt in componenten

b)

Het pigment vormt extra membranen

c)

Het pigment warmt tijdelijk op

d)

Het pigment verlaat de celkern

24.

Welk gevolg heeft het ontbinden van fotopigmenten in de receptorcel?

a)

Er ontstaat een zenuwimpuls

b)

Er ontstaat oogdrukstijging

c)

Er ontstaat pupilvernauwing

d)

Er ontstaat traanproductie

25.

Waarom zijn kegeltjes minder gevoelig dan staafjes bij zwak licht?

a)

Kegeltjes hebben hogere lichtintensiteit nodig

b)

Kegeltjes bevatten geen fotopigment

c)

Kegeltjes liggen achter het vaatvlies

d)

Kegeltjes zijn minder goed doorbloed

26.

Een leerling eet weinig vitamine A. Welke klacht is het meest waarschijnlijk?

a)

Zwak zien in het donker

b)

Dubbel zien overdag

c)

Verlies van kleurperceptie

d)

Vergrote blinde vlek

27.

Kies de juiste koppeling tussen receptor en lichtgevoeligheid.

a)

Staafjes – lichtgevoelig bij weinig licht

b)

Kegeltjes – lichtgevoelig bij weinig licht

c)

Staafjes – kleurgevoelig voor rood

d)

Kegeltjes – ongevoelig voor blauw

28.

Welke redenering verklaart kleurenzien door kegeltjes het best?

a)

Kegeltjes hebben verschillende pigmenten voor golflengten

b)

Kegeltjes sturen signalen zonder fotopigment

c)

Kegeltjes reageren alleen op wit en zwart

d)

Kegeltjes werken enkel samen met staafjes

29.

Wat is kleurenblindheid het best omschreven als?

a)

Een stoornis waarbij kegeltjes niet goed functioneren

b)

Een aandoening waarbij staafjes overactief worden

c)

Een ziekte waarbij de ooglens troebel wordt

d)

Een probleem waarbij de oogbol te lang gegroeid is

30.

Welke uitspraak over gedeeltelijke en volledige kleurenblindheid klopt het best?

a)

Volledige kleurenblindheid betekent alleen staafjes werken

b)

Gedeeltelijke kleurenblindheid betekent alleen staafjes werken

c)

Volledige kleurenblindheid komt veel vaker voor dan gedeeltelijke

d)

Gedeeltelijke kleurenblindheid betekent alle kleuren zijn zichtbaar

31.

Wat wordt bedoeld met daltonisme?

a)

De meest voorkomende rood-groen kleurenblindheid

b)

Een zeldzame blauw-geel kleurenblindheid

c)

Volledige afwezigheid van alle fotopigmenten

d)

Een aandoening aan het hoornvlies van het oog

32.

Welk biologisch mechanisme ligt meestal aan de basis van daltonisme?

a)

Defecte of afwezige fotopigmenten in kegeltjes

b)

Beschadigde zenuwvezels van de oogzenuw

c)

Verstoorde pupilreflex bij fel licht

d)

Onvoldoende traanproductie bij droge ogen

33.

Waarvoor dient de Ishihara-test het meest direct?

a)

Detecteren van rood-groen onderscheidingsproblemen

b)

Meten van gezichtsscherpte op afstand

c)

Bepalen van pupilgrootte na lichtprikkel

d)

Controleren van de oogdruk bij glaucoom

34.

Welke cellen in het netvlies werken goed een (bijna) donkere kamer?

a)

Alleen de kegeltjes

b)

alleen de staafjes

c)

zowel kegeltjes als staafjes

35.

Hoeveel verschillende kegeltjes heeft het menselijk oog?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

36.

Een aardbei is rood omdat...

a)

de aardbei vooral rood licht weerkaatst

b)

de aardbei vooral rood licht absorbeert

c)

de aardbei vooral groen en blauw absorbeert

d)

de aardbei vooral groen en blauw weerkaatst

e)

de aardbei rood licht uitstraalt

37.
Welke letter geeft een prikkel aan in de afbeelding?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
38.

Wat is de functie van het pupilreflex?

a)

Ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op netvlies ontstaat

b)

De hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt

c)

De ogen beschermen tegen indringend vuil

39.
Wat is staar (cataract)?
a)
vertroebeling van de ooglens
b)
slecht werkende lensbandjes
c)
ontstoken hoornvlies
40.
Wanneer is een oog in rusttoestand?
a)
als het kijkt naar een voorwerp ver weg
b)
als het kijkt naar een voorwerp dichtbij