wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H5 begrippen

Total questions: 51

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

algemene naam voor meervoudig koolhydraat; bestaat uit veel aan elkaar gekoppelde monosachariden

(a)  

2.

bouwstenen van eiwitten

(a)  

3.

algemene naam voor stoffen waar energie uit vrij kan worden gemaakt

(a)  

4.

algemene naam voor stoffen benodigd voor de aanmaak van cellen (en tussencelstof)

(a)  

5.

koolhydraat dat bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde monosachariden

(a)  

6.

een polysacharide dat is opgebouwd uit meerdere glucosemoleculen; dit wordt opgeslagen in de lever en in de spieren

(a)  

7.

een polysacharide dat is opgebouwd uit meerdere glucosemoleculen; dit komt voor in planten en wordt opgeslagen in wortels, stengels en bladeren.

(a)  

8.

een ander woord voor stofwisseling

(a)  

9.

aminozuur/vetzuur dat je lichaam zelf kan opbouwen vanuit andere aminozuren/vetzuren: een ... aminozuur/vetzuur

(a)  

10.

algemene naam voor stoffen die opgeslagen worden in het lichaam

(a)  

11.

onderdeel van een vetmolecuul; komt 1x voor in elk vetmolecuul

(a)  

12.

onderdeel van een vetmolecuul; komt 3x voor in elk vetmolecuul

(a)  

13.

kleinste bouwsteen van een koolhydraat, bijv. glucose

(a)  

14.

aminozuur/vetzuur dat je lichaam niet zelf kan maken, dit kan je enkel binnenkrijgen via de voeding: een ... aminozuur/vetzuur

(a)  

15.

molecuul met twee fosfaatgroepen; kan opgeladen worden tot ATP door het vastkoppelen van een derde fosfaatgroep

(a)  

16.

de afbraak van glucose met behulp van zuurstof; vindt plaats in het cytoplasma + het mitochondrium: C6H12O6 + 6 O2 --> 6 CO2 + 6 H2O (+38 ATP)

(a)  

17.

de afbraak van organische moleculen tot kleinere moleculen, hierbij komt energie vrij

(a)  

18.

stof gemaakt door een organisme; bestaat uit meerdere C-H bindingen; hieruit kan energie worden vrijgemaakt

(a)  

19.

afvalstof die ontstaat in de lever bij de afbraak van aminozuren; bevat N-atomen

(a)  

20.

met zuurstof

(a)  

21.

anaeroob dissimilatieproces dat plaatsvindt in het cytoplasma: C6H12O6 --> 2 C3H6O3 + 2 ATP

(a)  

22.

molecuul met drie fosfaatgroepen; kan energie leveren door de afsplitsing van één fosfaatgroep

(a)  

23.

molecuul dat dient als “noodaccu”; kan een fosfaatgroep afstaan aan ADP

(a)  

24.

zonder zuurstof

(a)  

25.

stof die zich bevindt in de vrije natuur; bevat niet meerdere C-H bindingen; hieruit kan geen energie worden vrijgemaakt.

(a)  

26.

molecuul dat ontstaat bij de afbraak van koolhydraten/glycerol/aminozuren; kan in het mitochondrium verder worden afgebroken tot CO2 en H2O.

(a)  

27.

bacteriën die in zuurstofarme omstandigheden aan melkzuurgisting doen

(a)  

28.

anaeroob proces dat plaatsvindt in eencellige gisten (behoren tot de schimmels):
C
6H12O6 --> 2 C2H6O + 2 CO2 + 2 ATP

(a)  

29.

de meest ongunstige abiotische factor; deze beperkt de snelheid van een reactie

(a)  

30.

organismen die niet zelf organische stoffen kunnen maken; moeten andere organismen eten om aan organische stof te komen

(a)  

31.

gewicht van een organisme zonder aanwezige vloeistoffen (water); kan bepaald worden m.b.v. een droogstoof

(a)  

32.

niet-levende invloeden uit de omgeving (bijv. temperatuur, vochtigheid)

(a)  

33.

de totale hoeveelheid glucose die wordt gevormd

(a)  

34.

ander woord voor bladgroenkorrels

(a)  

35.

assimilatieproces in bladgroenkorrels waarbij C6H12O6 en O2 wordt gevormd vanuit H2O en CO2 onder invloed van zonlicht: 6 CO2 + 6 H2O à C6H12O6 + 6 O2

(a)  

36.

O2-productie door fotosynthese is gelijk aan O2-verbruik bij dissimilatie; C6H12O6 productie door fotosynthese is gelijk aan C6H12O6-verbruik bij dissimilatie; nettoproductie = 0

(a)  

37.

algemene naam voor processen waarbij organische moleculen worden opgebouwd; dit kost energie

(a)  

38.

openingen in de onderkant van bladeren welke in meer of mindere mate open kunnen staan; gassen kunnen hier het blad in en uit; water kan erdoor verdampen

(a)  

39.

de totale hoeveelheid glucose die wordt gevormd minus de hoeveelheid glucose die de plant verbruikt voor zijn eigen dissimilatie (brutoproductie – dissimilatie)

(a)  

40.

assimilatieproces waarbij kleinere organische stoffen worden gebruikt om grotere organische stoffen te vormen; kost energie

(a)  

41.

organismen die zelf organische stoffen kunnen maken vanuit anorganische stoffen

(a)  

42.

uitstulpingen van wortels voor opname van water en mineralen uit de bodem

(a)  

43.

verplaatsing van O2 en CO2 het blad uit / in de huidmondjes gaat via ...

(a)  

44.

vaatbundels die water en mineralen vanuit de wortel naar boven transporteren

(a)  

45.

“binnenmuurtje” van cellen in wortel; deze cellen transporteren actief mineralen naar centrale cilinder

(a)  

46.

transport binnen de cel door beweging van vloeistoffen in de cel

(a)  

47.

kurkbandjes; voorkomen dat water tussen endodermiscellen heen kan bewegen.

(a)  

48.

verplaatsing van H2O via een huidmondje het blad uit gebeurt door ...

(a)  

49.

binnenste gedeelte van een wortel

(a)  

50.

vaatbundels die organische stoffen vanuit de bladeren naar andere delen van de plant transporteren

(a)  

51.

druk die ontstaat doordat de osmotische waarde in de centrale cilinder hoger is dan daarbuiten; oorzaak voor osmose richting centrale cilinder.

(a)