wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Signaalwoorden en verwijswoorden

Total questions: 35

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
Hij heeft hen vanmorgen laten uitslapen.
a)
Hij
b)
heeft
c)
hen/hij
d)
hen
2.
Kies de juiste verwijswoorden:
De oude man, die jarig was, heeft het opgegeten.
a)
De
b)
die
c)
het
d)
die/het
3.
Wat is/zijn de verwijswoorden in onderstaande zin?Het overkwam een groep van 86 jongeren; hun schip ging kapot.
a)
van
b)
hun
c)
het
d)
het + hun
4.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De bakker heeft aan hun het brood gegeven.
a)
bakker
b)
hun
c)
het
5.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
a)
daar
b)
die
c)
hun
d)
lampen
6.
Kies het juiste verwijswoord:
Hun/zij hebben geen kinderen.
a)
hun
b)
zij
7.
Kies het juiste verwijswoord:
Het meisje die/dat daar loopt, is mijn zus.
a)
die
b)
dat
8.
Kies het juiste verwijswoord:
Mijn geodriehoek is gebroken. Mag ik dat/die van jou even lenen?
a)
die
b)
dat
9.
Dat en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
Mijn vriendin koopt alles wat/dat ze ziet.
a)
wat
b)
dat
10.
Dat, die en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
Het meisje die/dat/wat daar loopt, zit in mijn team.
a)
die
b)
dat
c)
wat
11.
Dat, die en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
De auto wat/dat/die kapot is, staat langs de weg.
a)
wat
b)
dat
c)
die
12.
Dat, die en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
Onze hond heet veel, wat/dat goed te zien is.
a)
wat
b)
dat
13.
Dat, die en wat kun je gebruiken als betrekkelijk voornaamwoord. Kies het juiste betr. vnw.
Hij houdt van spelletjes: het leukste dat/die/wat hij kent is Kolonisten van Catan.
a)
die
b)
dat
c)
wat
14.

Kies het signaalwoord dat het verband 'opsomming' heeft.

a)

Omdat

b)

Maar

c)

Vervolgens

d)

Doordat

15.

Selecteer alle woorden die een conclusie zijn.

a)

Eerst

b)

Kortom

c)

Dus

d)

Doordat

16.

Benoem het verband bij het woord 'doordat'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

17.

Benoem het verband bij het woord 'voordat'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

18.

Benoem het verband bij het woord 'en'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

19.

Benoem het verband bij het woord 'alles bij elkaar'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

20.

Benoem het verband bij het woord 'daarna'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

21.

Benoem het verband bij het woord 'wanneer'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

22.

Benoem het verband bij het woord 'nadat'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

23.

Benoem het verband bij het woord 'zodat'

a)

Opsomming

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Samenvatting / conclusie

d)

Tijd

24.

Welk verband wordt er gegeven in de zin? 'In het weekend slaap ik uit en ik ruim mijn huis op.'

a)

Tijd

b)

Samenvatting / conclusie

c)

Oorzaak - gevolg

d)

Opsomming

25.

Welk verband wordt er gegeven in de zin? 'Kortom, leraren verdienen een lagere werkdruk.'

a)

Tijd

b)

Opsomming

c)

Oorzaak - gevolg

d)

Samenvatting /conclusie

26.

Selecteer alle 3 woorden die het verband 'tijd' hebben.

a)

Voordat

b)

Nadat

c)

Doordat

d)

Zodat

e)

Achteraf

27.

Kies het juiste verband bij de zin. 'De leerling kwam te laat doordat ze betrokken was bij een ongeluk.'

a)

Samenvatting / conclusie

b)

Oorzaak - gevolg

c)

Tijd

d)

Opsomming

28.

Welke verband hoort bij deze signaalwoorden: Ten eerste, tot slot, en, vervolgens.

a)

opsomming

b)

oorzaak-gevolg

c)

tijd

d)

conclusie/samenvatting

29.

Wat betekent een 'conclusie'?

a)

Het introduceert de tekst

b)

Dit gebruik je alleen als je het slot schrijft van een tekst.

c)

Het besluit dat je neemt.

30.

Eerst moesten de jongeren naar huis gaan. Wat is het signaalwoord in die zin?

a)

naar

b)

huis

c)

gaan

d)

eerst

31.

Klik zoveel mogelijk woorden aan die horen bij 'oorzaak en gevolg'

a)

dat heeft allemaal te maken met

b)

waardoor

c)

ten gevolge van

d)

ten slotte

e)

wanneer

32.

Klik zoveel mogelijk woorden aan die een samenvatting/conclusie aangeven

a)

oftewel

b)

concluderend

c)

aanvankelijk

d)

al met al

e)

omdat

33.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: alvorens

(a)  

34.

Wat betekent 'alvorens'

a)

nadat

b)

voordat

c)

omdat

d)

doordat

35.

Een signaalwoord in de tekst is altijd maar 1 woordje

a)

Niet waar, soms zijn het twee of meer woorden

b)

Waar, kijk maar naar 'daardoor'