Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat ohv1 hfds 1 par.1

Total questions: 19

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

De aanleg

a)

Het talent

b)

Een bouwplan of ontwerp

c)

Een tijdelijke parkeerplaats voor voertuigen

d)

Een vakantiehuis aan zee

2.

Aantonen

a)

Iets in bezit nemen

b)

Iets aan iemand laten zien als cadeau

c)

Iets tijdelijk uitlenen

d)

Bewijzen of duidelijk maken dat iets waar is

3.

Aanvankelijk

a)

Plotseling of onverwacht

b)

Langdurig of blijvend

c)

Afsluitend of eindigend

d)

In het begin of oorspronkelijk

4.

Beheerst

a)

Onoplettend of afwezig

b)

Kalm en onder controle

c)

Vlug of gehaast

d)

Chaotisch of ongecontroleerd

5.

Beklemtonen

a)

Iets in twijfel trekke

b)

Iets benadrukken of de nadruk op iets leggen

c)

Iets verzachten of verlichten

d)

Iets verbergen of negeren

6.

De componist

a)

Een muzikant die instrumenten bespeelt

b)

Een dirigent die het orkest leidt

c)

Een muziekrecensent die muziekstukken beoordeelt

d)

Iemand die muziekstukken schrijft en componeert

7.

Het exacte vak

a)

Een vak waarin je vrij mag experimenteren zonder regels

b)

Een sportonderdeel dat precisie vereist

c)

Een vak dat gaat over geschiedenis of literatuur

d)

Een vak dat zich richt op exacte wetenschappen zoals wiskunde, natuurkunde of scheikunde

8.

Functioneren

a)

Werken of naar behoren opereren

b)

Stilzitten zonder iets te doen

c)

Afbreken of kapotgaan

d)

Rusten of slapen

9.

Gevoelig

a)

Onverwoestbaar of zeer sterk

b)

Onverschillig of koud

c)

Snel emotioneel geraakt of vatbaar voor prikkels

d)

Heel luidruchtig en opvallend

10.

De hint

a)

Een direct bevel of opdracht

b)

Een subtiele aanwijzing of tip

c)

Een verhaal of lange uitleg

d)

Een geheim of iets verborgen houden

11.

Het motief

a)

Een decoratieve schildering op een muur

b)

Een instrument dat muziek maakt

c)

Een voertuig of machine

d)

Een reden of beweegreden achter een handeling

12.

Nors

a)

Stug, streng of onaardig

b)

Vriendelijk en glimlachend

c)

Enthousiast en vrolijk

d)

Zacht en meegaand

13.

Onaangenaam

a)

Heel prettig en aangenaam

b)

Zeer interessant en boeiend

c)

Gewoon en alledaags zonder bijzondere emoties

d)

Vervelend of niet prettig

14.

Onwaarschijnlijk

a)

Niet waarschijnlijk of moeilijk te geloven

b)

Zeker en vanzelfsprekend

c)

Heel gewoon en alledaags

d)

Precies en nauwkeurig

15.

De recensie

a)

Een fictief verhaal of roman

b)

Een persoonlijke brief of e-mail

c)

Een wetsvoorstel of juridische tekst

d)

Een beoordeling of bespreking van bijvoorbeeld een boek, film of voorstelling

16.

De robotisering

a)

Het ontwerpen van speelgoed voor kinderen

b)

Het trainen van atleten voor betere prestaties

c)

Het proces waarbij taken door robots worden overgenomen van mensen

d)

Het schilderen van huizen

17.

Stimuleren

a)

Aansporen of aanmoedigen om iets te doen of te laten gebeuren

b)

Iets vernietigen of afbreken

c)

Iets over het hoofd zien of negeren

d)

Iets vernietigen of afbreken

18.

Het zintuig

a)

Een vorm van communicatie zoals praten of schrijven

b)

Een lichaamsdeel zoals een arm of been

c)

Een emotie zoals blijdschap of verdriet

d)

Een orgaan of vermogen waarmee je waarneemt, zoals zien, horen, ruiken, proeven en voelen

19.

De zoetwaren

a)

Een type groente of fruit

b)

Zoete etenswaren zoals snoep, chocolade en gebak

c)

Pittige en hartige snacks zoals chips of noten

d)

Vleesproducten zoals worst of ham