Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basisstof 1-4

Total questions: 41

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 4?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
2.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 11?
a)
Heiligbeen
b)
Staartbeen
c)
Heupbeen
d)
Bekken
3.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 6?
a)
Ellepijp
b)
Spaakbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
4.
Welk bot wordt aangegeven met nummer 14?
a)
Ellepijp
b)
Sleutelbeen
c)
Opperarmbeen
d)
Bovenarmbeen
5.

Bot nummer 2 is het ...

a)

Heupbeen

b)

Schouderblad

c)

Schedel

d)

Opperarmbeen

6.

Nummer 7 zijn.....

a)

Teenkootjes

b)

Vingerkootjes

c)

Middenhandsbeentjes

d)

Middenvoetsbeentjes

7.

Nummer 7 zijn

a)

halswervels

b)

borstwervels

c)

rugwervels

d)

lendenwervels

8.

Nummer 24 is

a)

Dijbeen

b)

Opperarmbeen

c)

Schouderblad

d)

Sleutelbeen

9.

Nummer 12 is ...

a)

Dijbeen

b)

Spaakbeen

c)

Kuitbeen

d)

Scheenbeen

10.

Nummer 20 zijn ....

a)

Middenvoetsbeentjes

b)

Middenhandsbeentjes

c)

Handwortelbeentjes

d)

Voetwortelbeentjes

11.
de hersenen worden beschermt door de
a)
ribben
b)
schedelbeenderen
c)
scheenbeen
d)
sleutelbeen
12.

Welk bot wordt in het rood aangegeven

a)

Spaakbeen

b)

Opperarmbeen

c)

Ellepijp

d)

Scheenbeen

13.

Wat is een pees?

a)

De verbinding tussen spier en bot

b)

Het deel van de spier wat samentrekt

c)

Een beschermende laag om de spier heen

14.

Een spier bestaat uit?

a)

Spierbundels

b)

Spiervezels

c)

Bot

d)

Water

15.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren die elkaar versterken

b)

Spieren die een tegenovergestelde werking hebben

c)

Spieren die op dezelfde plaats liggen

d)

Spieren die dezelfde functie hebben

16.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Zadelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Scharniergewricht

d)

Vlakgewricht

17.

Welk gewricht is hier te zien?

a)

Kogelgewricht

b)

Rolgewricht

c)

Zadelgewricht

d)

Schaniergewricht

18.

Wat voor een gewricht is hier te zien?

a)

Scharniergewricht

b)

Rolgewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Zadelgewricht

19.

Welk onderdeel is aangegeven met nummer 2?

a)

Gewrichtskogel

b)

Gewrichtskom

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Kapselband

20.

Welk onderdeel is aangegeven met nummer 3?

a)

Gewrichtskapsel

b)

Kapselband

c)

Kraakbeenlaagje

d)

Gewrichtssmeer

21.

Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

a)

Gewrichtskom

b)

Gewrichtskapsel

c)

Gewrichtskogel

d)

Kapselband

22.

Wat voor een verbinding is hier te zien?

a)

Naad

b)

Kraakbeen

c)

Gewricht

d)

Vergroeid

23.

Wat voor een beenverbinding is te zien in het plaatje

a)

Naad

b)

Vergroeid

c)

Kraakbeen

d)

Gewricht

24.

Als er meer lijmstof in de botten zit zijn deze.

a)

Buigzamer

b)

Harder

c)

Breekbaarder

25.

In het groen zijn de ..... te zien.

a)

Voetwortelbeentjes

b)

Teenkootjes

c)

Middenvoetsbeentjes

26.

Welke 2 eigenschappen horen bij "kraakbeen" ?

a)

stevig

b)

hard

c)

zacht

d)

buigzaam

27.

Welke 2 eigenschappen horen bij "been" ?

a)

stevig

b)

hard

c)

zacht

d)

buigzaam

28.

Welke functie van het skelet kun je uit de onderstaande zin halen?

"Gelukkig droeg de motorrijder een helm, waardoor hij geen hersenschudding opliep"

a)

het skelet geeft stevigheid

b)

het skelet maakt beweging mogelijk

c)

het skelet geeft vorm aan het lichaam

d)

het skelet geeft bescherming

e)

in het skelet worden bloedcellen aangemaakt

29.

Welke functie van het skelet kun je uit de onderstaande zin halen?

"Omdat ik mijn been gebroken heb, kan ik moeilijk lopen"

a)

het skelet geeft stevigheid

b)

het skelet maakt beweging mogelijk

c)

het skelet geeft vorm aan het lichaam

d)

het skelet geeft bescherming

e)

in het skelet worden bloedcellen aangemaakt

30.

Welke functie van het skelet kun je uit de onderstaande zin halen?

"Een baby die altijd op zijn rug slaapt, krijgt hierdoor een platter achterhoofd"

a)

het skelet geeft stevigheid

b)

het skelet maakt beweging mogelijk

c)

het skelet geeft vorm aan het lichaam

d)

het skelet geeft bescherming

e)

in het skelet worden bloedcellen aangemaakt

31.

Welke functie van het skelet kun je uit de onderstaande zin halen?

"Als je leukemie hebt, is je beenmerg ziek"

a)

het skelet geeft stevigheid

b)

het skelet maakt beweging mogelijk

c)

het skelet geeft vorm aan het lichaam

d)

het skelet geeft bescherming

e)

in het skelet worden bloedcellen aangemaakt

32.

Bekijk de afbeelding.

De ledematen zijn in de afbeelding ...... gekleurd.

a)

rood

b)

oranje

c)

groen

33.

Welke 3 botten vormen samen de borstkas?

a)

borstbeen

b)

ribben

c)

sleutelbeen

d)

borstwervels

e)

heupbeenderen

34.

Welke 2 botten vormen samen de schoudergordel?

a)

borstbeen

b)

schouderblad

c)

sleutelbeen

d)

borstwervels

35.

Welke 2 botten vormen samen de bekkengordel?

a)

staartbeen

b)

lendenwervels

c)

heiligbeen

d)

borstwervels

e)

heupbeenderen

36.

Welke botten behoren niet bij de wervelkolom?

a)

heiligbeen

b)

heupbeen

c)

staartbeen

d)

schouderblad

e)

dijbeen

37.

Wat zijn 2 eigenschappen van kalkstof?

a)

stevig

b)

breekbaar

c)

zacht

d)

buigzaam

38.

Baby's en jonge kinderen hebben in hun botten:

a)

veel lijmstof en veel kalkstof

b)

veel lijmstof en weinig kalkstof

c)

weinig lijmstof en veel kalkstof

d)

weinig lijmstof en weinig kalkstof

39.

Bejaarden hebben in hun botten:

a)

veel lijmstof en veel kalkstof

b)

veel lijmstof en weinig kalkstof

c)

weinig lijmstof en veel kalkstof

d)

weinig lijmstof en weinig kalkstof

40.

Als je een bot in zoutzuur legt dan verdwijnt .... uit de botten.

a)

lijmstof

b)

kalkstof

41.

Als je een botje in een vlam houdt, verdwijnt de ..... uit het botje.

a)

kalkstof

b)

lijmstof