wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

QUIZ Samenvatting

Total questions: 86

Worksheet time: 3615secs

Name
Class
Date
1.

Wat is de afkorting voor waterstof?

a)

H

b)

O

c)

Pb

d)

Si

2.

Wat is de afkorting voor zuurstof?

a)

N

b)

H

c)

O

d)

Pb

3.

Wat is de afkorting voor waterstof?

a)

H

b)

O

c)

Pb

d)

Si

4.

Wat is de afkorting voor zuurstof?

a)

N

b)

H

c)

O

d)

Pb

5.

Wat is de afkorting voor stikstof?

a)

C

b)

N

c)

H

d)

O

6.

Wat is de afkorting voor koolstof?

a)

Fe

b)

C

c)

N

d)

H

7.

Wat is de afkorting voor ijzer?

a)

Cu

b)

Fe

c)

C

d)

N

8.

Wat is de afkorting voor goud?

a)

Sn

b)

Au

c)

Zn

d)

Cu

9.

Wat is de afkorting voor natrium?

a)

K

b)

Na

c)

He

d)

S

10.

Wat is de afkorting voor chloor?

a)

F

b)

Cl

c)

K

d)

Na

11.

Wat is de afkorting voor calcium?

a)

W

b)

Ca

c)

Al

d)

Ag

12.

Wat is een ontledingsreactie?

a)

een reactie waarbij zuurstof ontstaat

b)

een reactie waarbij uit één stof meerdere nieuwe stoffen ontstaan

c)

een reactie met zuurstof

d)

een reactie waarbij twee stoffen met elkaar reageren tot één nieuwe stof

13.

Wat is een verbrandingsreactie?

a)

een reactie waarbij zuurstof ontstaat

b)

een reactie waarbij uit één stof meerdere nieuwe stoffen ontstaan

c)

een reactie met zuurstof

d)

een reactie waarbij twee stoffen met elkaar reageren tot één nieuwe stof

14.

een ontleding door warmte noem je

a)

elektrolyse

b)

fotolyse

c)

fotosynthese

d)

thermolyse

15.

een ontleding door elektriciteit noem je

a)

elektrolyse

b)

fotolyse

c)

fotosynthese

d)

thermolyse

16.

een ontleding door licht noem je

a)

elektrolyse

b)

fotolyse

c)

fotosynthese

d)

thermolyse

17.

welke stoffen kun je niet ontleden?(meerdere kunnen)

a)

magnesium

b)

water

c)

ijzer

d)

natriumchloride

e)

koolstof

18.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
19.

Dit molecuul bestaat uit.

C2Br5OH2

a)

2 C

5 Br

2 OH

b)

2 C

1 B

5 r

1 O

2 H

c)

2 C

5 Br

1 O

2 H

d)

2 C

5 Br

2 O

2 H

20.

Wat is de afkorting voor kwik?

a)
K
b)
Q
c)
W
d)
Hg
21.

Wat is de afkorting voor neon?

a)
No
b)
Ne
c)
Neon
d)
Nn
22.

Wat is de afkorting voor fluor?

a)
FL
b)

Flu

c)
F
d)
FO
23.

Wat is de afkorting voor Magnesium?

a)
M
b)
Mn
c)
MgO
d)
Mg
24.

Massaverhouding magnesium:zuurstof is 3 : 5

Welke stof is in overmaat als 9 gram magnesium wordt verbrand in 6 gram zuurstof?

a)

zowel magnesium als zuurstof

b)

alleen magnesium

c)

alleen zuurstof

d)

geen van beide

25.

IJzer en zuurstof reageren in de massaverhouding 3,5 : 1,0. Hoeveel gram zuurstof is er nodig om te reageren met 60 gram ijzer?

a)

210 gram

b)

17 gram

c)

56,5 gram

d)

77 gram

26.

De massaverhouding tussen natrium en chloor is 1,0 : 1,5. Hoeveel natriumchloride kan je maken met 8 gram chloor?

a)

5,3

b)

16

c)

13,3

d)

2,7

27.

De massaverhouding is als volgt: barium : fluor = 137,3 g : 38,0 g

Hoeveel fluor heb je als er 10 gram barium gebruikt wordt? 

a)

185,3 u

b)

165,3 u

c)

2,8 u

d)

36,1 u

28.
Koolstof en zwavel reageren in een verhouding van 3 g koolstof: 16 gram zwavel. Hoeveel gram stof ontstaat er als je 30 gram koolstof mengt met 150 gram zwavel?
a)
178 gram
b)
180 gram
c)
190 gram
d)
Het goede antwoord staat er niet bij.
29.

Welke scheidingsmethoden wordt er hier uitgebeeld?

a)

Filtreren

b)

Destilleren

c)

Extraheren

d)

Bezinken en afschenken

30.

Wat wordt aangegeven met letter A?

a)

Het filter

b)

Filtreerpapier

c)

Filtraat

d)

Residu

31.

Wat wordt aangegeven met de letter B?

a)

Het filter

b)

Filtreerpapier

c)

Filtraat

d)

Residu

32.

Welke scheidingsmethode is berust op het verschil in kookpunt?

a)

Destillatie

b)

Extractie

c)

Adsorptie

d)

Absorptie

33.

Van welke scheidingsmethode zie je hierin afgebeeld?

a)

Bezinken

b)

Bezinken en afschenken

c)

Filtreren

d)

Indampen

34.

Met behulp van welke scheidingsmethode kan je een zout/zand mengsel scheiden?

a)

Destilleren

b)

Bezinken en afschenken

c)

Zeven

d)

Absorberen

35.

Destilleren berust op het verschil in oplosbaarheid

a)

juist

b)

onjuist

36.

een reactiemengsel moet troebel zijn om het te scheiden door filtratie

a)

juist

b)

onjuist

37.

De fase-overgang van vast naar vloeibaar heet:

a)

smelten

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

38.

De fase-overgang van vloeibaar naar gas heet:

a)

verdampen

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

39.

Scheidingsmethode waarbij je een opgeloste stof scheidt van het oplosmiddel op basis van het kookpunt.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

40.

Temperatuur boven 0 graden Celsius waarbij een stof van een vloeistof in een vaste verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

41.
Verdampen is een chemische reactie.
a)
waar
b)
niet waar
42.

Een mengsel van twee vloeistoffen kun je scheiden met

a)

filtreren

b)

extraheren

c)

destilleren

d)

indampen

43.
Mayonaise is een ....
a)
oplossing
b)
emulsie
c)
suspensie
44.

Welke stofeigenschap kun je het beste gebruiken om water en azijn van elkaar te onderscheiden

a)

kleur

b)

geur

c)

smaak

d)

bandbaarheid

45.

Welke gevarensymbool betekend bijtend/corrosief

a)
b)
c)
d)
46.

Wat voor soortmengsel zie je op het plaatje

(a)  

47.

iedere stof is opgebouwd kleine deeltje, dit noemen wij ......

a)

nonekulen

b)
cellen
c)
moleculen
d)
elektronen
48.

De fase-overgang van vast naar vloeibaar heet:

a)

smelten

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

49.

De fase-overgang van vloeibaar naar gas heet:

a)

verdampen

b)

smelten

c)

bevriezen

d)

condenseren

e)

rijpen

50.

De fase-overgang van vloeibaar naar vast bij een temperatuur van 0 graden Celsius of lager heet:

a)

condenseren

b)

stollen

c)

bevriezen

d)

vervluchtigen

e)

rijpen

51.

Scheidingsmethode waarbij je een filter gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden.

a)

filtereren

b)

indampen

c)

extraheren

d)

centrifugeren

52.

Temperatuur boven 0 graden Celsius waarbij een stof van een vloeistof in een vaste verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

53.

Temperatuur waarbij een stof van een vaste stof in een vloeistof verandert.

a)

Kookpunt

b)

stolpunt

c)

smeltpunt

54.

Een stof die uit twéé of meer soorten moleculen bestaat is een:

a)

zuivere stof

b)

mengsel

c)

atoom

55.

Wat zijn de kenmerken van een suspensie?

a)

helder

b)

troebel

c)

geen neerslag

d)

neerslag

56.

Op welke van deze afbeeldingen is een erlenmeyer afgebeeld?

a)
b)
c)
d)
57.

Op welke van deze afbeeldingen is een maatcilinder afgebeeld?

a)
b)
c)
d)
58.

Welke bewering over een suspensie is ONJUIST?

a)

Een suspensie is altijd troebel

b)

Een suspensie is een mengsel van een fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof

c)

Een suspensie is een mengsel van twee vloeistoffen

d)

Een suspensie is wit of gekleurd, maar nooit kleurloos

59.

Rook is een mengsel van ..............

a)

een stof in een vloeistof

b)

een vloeistof in een gas

c)

een vaste stof in een gas

d)

een gas in een vloeistof

60.

We hebben een mengsel met de volgende kookpunten: propanon (56 °C); cumeen (152 °C); CHP (153 °C);

fenol (182 °C); zwavelzuur (330 °C). We willen zwavelzuur scheiden door middel van destillatie. Hiervoor moet de temperatuur tijdens de destillatie:

a)

tussen de 56 en 152 graden

b)

tussen de 152 en 182 graden

c)

tussen de 182 en 330 graden

d)

tussen 56 en 182 graden

e)

tussen de 56 en 330 graden

61.

mL is...

a)

een grootheid van volume

b)

een eenheid van volume

c)

grootheid van liter

d)

eenheid van liter

62.

Welke van onderstaande antwoorden is een stofeigenschap?

a)

massa

b)

volume

c)

dichtheid

63.

Bekijk de afbeelding. Welk van deze blokjes heeft de grootste dichtheid?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

64.

Bekijk de afbeelding. Welk van deze blokjes is het grootst?

a)

goud

b)

aluminium

c)

lood

65.
Brandbaarheid is een stofeigenschap.
a)
waar
b)
niet waar
66.

Als je filtreert houd je 2 dingen over

a)

Koffiedik is het fitraat

b)

Koffiedik is het residu

c)

Koffie is het filtraat

d)

Koffie is het residu

67.

m3 spreek je uit als...

a)

vierkante meter

b)

kubieke meter

c)

meter drie

68.

24 Karaats goud is een

a)

zuivere stof

b)

mengsel

69.

iedere stof is opgebouwd kleine deeltje, dit noemen wij ......

a)

lolemulen

b)

moleculen

c)

stofkernen

d)

stofdeeltjes

70.

zuivere boslucht is een ...

a)

mengsel

b)

zuivere stof

71.

Wat is geen stofeigenschap?

a)

dichtheid

b)

kleur

c)

massa

d)

kookpunt

72.

Wat is de lading van het ammoniumion?

(a)  

73.

Welk symbool zet je achter glucose als het opgelost is in water?

a)

(l)

b)

(aq)

c)

(w)

d)

(g)

74.

Welk romeins cijfer moet er op de puntjes staan?

FeCl3 is ijzer( (a)   )chloride

75.

Maak de indampvergelijking af:

Cu2+(aq) +2Cl(aq)  .... (s)Cu^{2+}\left(aq\right)\ +2Cl^-\left(aq\right)\ \rightarrow\ ....\ \left(s\right)  

a)

CuCl2

b)

Cu2Cl

c)

Cu2Cl

d)

CuCl

76.

Wat is de lading van het kwikion in HgCl2?

(a)  

77.

Wat voor een soort zouten zijn altijd goed oplosbaar

a)

zouten met F-

b)

zouten met NO3-

c)

Zouten met SO42-

d)

Zouten met Ba2+

78.
Geef de verhoudingsformule voor kwik(I)sulfide.
a)
Hg2S
b)
HgS
c)
HgSO4
d)
Hg2SO4
79.
Wat is de naam van CaCO?
a)
Kaliumcarbonaat
b)
Calciumnitraat
c)
Calciumsulfaat
d)
Calciumcarbonaat
80.
Wat is de juiste oplosvergelijking voor het oplossen van bariumhydroxide?
a)
Ba2+ (aq) + 2 OH- (aq) --> Ba(OH)2 (s)
b)
2 Ba2+ (aq) + OH- (aq) --> Ba2OH (s)
c)
Ba(OH)2 (s) --> Ba2+ (aq) + 2 OH- (aq)
d)
Ba2OH (s) --> 2 Ba2+ (aq) + OH- (aq)
81.

Geef de formule van kaliloog.

a)

CaOH(l)

b)

Ca2+(aq) + OH−

(aq)

c)

KOH(l)

d)

K+ (aq) + OH- (aq)

82.

Geef de naam van H2SO4.

a)

waterstofsulfide

b)

waterstoffosfaat

c)

zwavelzuur

83.

Wat is de formule van salpeterzuur?

a)

HCOOH

b)

HCl

c)

H2C2O4

d)

HNO3

84.

De definitie van een zure oplossing is:

a)

er zitten altijd H+ ionen in

b)

kan H+ afstaan

c)

er zit een H in de formule

d)

kan H afstaan

85.

Een basische oplossing heeft een pH groter dan 7

a)

Waar

b)

Niet waar

86.

Welke coëfficiënten moeten aangevuld worden in onderstaande reactie?

Al2O3 + ... H2O => ... Al2(OH)3

a)

3 en 2

b)

2 en 3

c)

1 en 2

d)

2 en 1