wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HAVO 4/5 - Domein Wereld deel 2 Globalisering

Total questions: 57

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Wat is globalisering?

a)

Het proces waarbij landen minder met elkaar handelen

b)

Het proces waarbij economieën steeds meer met elkaar verweven raken

c)

De afname van internationale samenwerking

d)

De vermindering van investeringen in ontwikkelingslanden

2.

Welke factor draagt bij aan economische globalisering?

a)

Afname van buitenlandse investeringen

b)

Groei van de nationale markten

c)

Toegenomen betekenis van multinationals

d)

Beperking van technologische ontwikkelingen

3.

Wat betekent "directe buitenlandse investeringen" (DBI's)?

a)

Een bedrijf investeert direct in productie in een ander land

b)

Een bedrijf investeert alleen in lokale bedrijven

c)

Een land investeert in de binnenlandse markt

d)

Een multinational verlaagt zijn productiekosten

4.

Wat heeft bijgedragen aan de versnelling van het globaliseringsproces?

a)

Slechtere transportmogelijkheden

b)

Technologische vooruitgang in communicatie en transport

c)

Afschaffing van alle internationale handel

d)

Minder samenwerking tussen bedrijven

5.

Wat is een gevolg van tijd-ruimtecompressie?

a)

De relatieve afstand tussen landen neemt toe

b)

De kosten van transport stijgen

c)

Goederen en informatie verplaatsen zich sneller en efficiënter

d)

Handel wordt moeilijker door afstand

6.

Wat is een positief economisch gevolg van globalisering?

a)

Meer handelsbelemmeringen

b)

Meer productkeuze en goedkopere producten

c)

Minder werkgelegenheid wereldwijd

d)

Beperking van economische groei

7.

Wat is een negatief gevolg van globalisering?

a)

Toename van lokale productie

b)

Minder transport van goederen

c)

Afname van werkgelegenheid in bepaalde regio's

d)

Beperking van multinationals

8.

Wat is de "global shift"?

a)

De verschuiving van productie naar West-Europa

b)

De verschuiving van het economisch zwaartepunt naar Azië

c)

De afname van internationale handel

d)

De vermindering van globalisering

9.

Wat betekent "outsourcing"?

a)

Het verplaatsen van productie naar een ander bedrijf

b)

Het verplaatsen van productie naar een ander land

c)

Het beëindigen van handelsrelaties

d)

Het beperken van import

10.

Wat is het verschil tussen offshoring en reshoring?

a)

Offshoring betekent werk verplaatsen naar een ander land, reshoring betekent werk terughalen

b)

Offshoring betekent minder werk, reshoring betekent meer werk

c)

Offshoring betekent hogere lonen, reshoring betekent lagere lonen

d)

Er is geen verschil tussen de twee

11.

Wat is Zuid-Zuidmigratie?

a)

Migratie van Noord-Europese landen naar Zuid-Amerika

b)

Migratie tussen ontwikkelingslanden onderling

c)

Migratie van zuidelijke landen naar noordelijke landen

d)

Migratie binnen een land

12.

Wat is een pushfactor voor migratie?

a)

Goede werkgelegenheid

b)

Politieke onderdrukking

c)

Hoge lonen

d)

Goede gezondheidszorg

13.

Wat is een pullfactor voor migratie?

a)

Oorlog

b)

Werkgelegenheid en hogere lonen

c)

Milieurampen

d)

Politieke instabiliteit

14.

Wat is kettingmigratie?

a)

Wanneer migranten andere migranten aantrekken via familie- en vriendennetwerken

b)

Wanneer migranten gedwongen worden terug te keren naar hun land

c)

Een tijdelijke migratiestroom

d)

Een migratiestroom zonder duidelijke patronen

15.

Wat zijn remittances?

a)

Geld dat migranten terugsturen naar hun thuisland

b)

De kosten van migratie

c)

Handelsverdragen tussen landen

d)

Internationale sancties

16.

Wat betekent "braindrain"?

a)

Het verlies van hoogopgeleide mensen door emigratie

b)

De groei van een economie door migratie

c)

De ontwikkeling van technologie door globalisering

d)

Het opleiden van migranten in een nieuw land

17.

Wat betekent "braingain"?

a)

De terugkeer van hoogopgeleide migranten naar hun land van herkomst

b)

De afname van buitenlandse investeringen

c)

De toename van laaggeschoolde arbeiders

d)

De afname van internationale handel

18.

Wat is een cultuurgebied?

a)

Een land met meerdere culturen

b)

Een gebied waar mensen dezelfde culturele kenmerken delen

c)

Een gebied met economische overeenkomsten

d)

Een grens tussen verschillende landen

19.

Wat is culturele diffusie?

a)

Het verspreiden van cultuurelementen over de wereld

b)

Het verdwijnen van culturen

c)

Het versterken van nationale grenzen

d)

De beperking van culturele uitwisseling

20.

Wat is amerikanisering?

a)

De invloed van Amerikaanse cultuur wereldwijd

b)

De afname van globalisering

c)

De verspreiding van Europese cultuur

d)

Het verplaatsen van Amerikaanse bedrijven naar Europa

21.

Wat is een lingua franca?

a)

Een taal die wereldwijd als gemeenschappelijke taal wordt gebruikt

b)

Een oude taal die niet meer gesproken wordt

c)

Een lokale taal die alleen in een specifiek land wordt gebruikt

d)

Een dialect zonder invloed op andere talen

22.

Wat betekent glokalisering?

a)

Een combinatie van globalisering en lokale aanpassingen

b)

De afname van globalisering

c)

De afname van culturele diversiteit

d)

Het wereldwijd toepassen van dezelfde normen

23.

Wat is een wereldstad?

a)

Een stad met meer dan 1 miljoen inwoners

b)

Een stad die een grote rol speelt in economie, cultuur en politiek

c)

Een stad die vooral lokaal functioneert

d)

Een stad zonder mondiale invloed

24.

Wat is een megastad?

a)

Een stad met meer dan 10 miljoen inwoners

b)

Een stad met meer dan 5 miljoen inwoners

c)

Een stad die bekend is om zijn geschiedenis

d)

Een stad zonder veel economische invloed

25.

Wat zijn mondiale netwerken?

a)

Verbindingen tussen steden en landen door handel, migratie en cultuur

b)

Lokale gemeenschappen zonder internationale invloeden

c)

Netwerken die alleen binnen één land werken

d)

Een vorm van isolatie tussen verschillende regio's

26.

Welke van de volgende factoren heeft het meest bijgedragen aan de versnelling van economische globalisering?

a)

Strengere handelsregels

b)

Vooruitgang in transport- en communicatietechnologie

c)

Het afnemen van directe buitenlandse investeringen (dbi's)

d)

De afname van internationale arbeidsverdeling

27.

Wat is een direct gevolg van tijd-ruimtecompressie?

a)

Afname van internationale handel

b)

Productie wordt duurder in lagelonenlanden

c)

Relatieve afstanden tussen landen nemen af

d)

Meer handelsbelemmeringen tussen landen

28.

Waarom kiezen multinationals voor outsourcing of offshoring?

a)

Om productiekosten te verlagen door goedkopere arbeid

b)

Om de binnenlandse werkgelegenheid te stimuleren

c)

Om productieprocessen minder efficiënt te maken

d)

Om handelsbarrières op te werpen

29.

Welke factor is een belangrijke pullfactor voor arbeidsmigratie naar Noord-Amerika en Europa?

a)

Conflicten en oorlogen in het thuisland

b)

Hogere lonen en betere werkgelegenheid

c)

Slechte infrastructuur in het thuisland

d)

Handelsbelemmeringen tussen landen

30.

Wat is een belangrijke reden voor de toename van Zuid-Zuidmigratie?

a)

Dalende werkgelegenheid in westerse landen

b)

Snelle economische groei in semiperifere landen

c)

Strengere immigratieregels in westerse landen

d)

Een afname van het aantal vluchtelingen

31.

Wat is een voorbeeld van braindrain?

a)

Hoogopgeleide Indiërs emigreren naar de VS en Groot-Brittannië

b)

Indiase migranten sturen geld naar hun familie in India

c)

Internationale bedrijven investeren in technologie in India

d)

Indiërs verhuizen binnen India naar stedelijke gebieden

32.

Wat is een kenmerk van culturele globalisering?

a)

Culturen blijven strikt gescheiden

b)

Culturele grenzen worden steeds scherper

c)

Ideeën en producten verspreiden zich wereldwijd

d)

Migratie neemt af door culturele verschillen

33.

Wat is een voorbeeld van glokalisering?

a)

McDonald's verkoopt McSpaghetti in de Filipijnen

b)

Apple verplaatst een deel van de productie naar China

c)

Een multinational stopt met uitbreiden naar andere landen

d)

Bedrijven houden vast aan hun oorspronkelijke marketingstrategieën

34.

Waarom wordt Engels gezien als een lingua franca?

a)

Het is de meest gesproken moedertaal ter wereld

b)

Het wordt wereldwijd gebruikt als gemeenschappelijke voertaal

c)

Het wordt alleen gesproken in Engelstalige landen

d)

Het is de oudste taal ter wereld

35.

Waarom spelen wereldsteden een belangrijke rol in globalisering?

a)

Ze zijn klein en hebben weinig invloed op de wereldeconomie

b)

Ze vormen knooppunten voor handel, cultuur en innovatie

c)

Ze zorgen ervoor dat culturele diffusie stopt

d)

Ze hebben weinig verbindingen met andere landen

36.

Welke van de volgende ontwikkelingen draagt het meest bij aan economische globalisering?

a)

Afname van multinationals

b)

Toename van handelsbelemmeringen

c)

Verbetering van transport- en communicatietechnologie

d)

Striktere nationale regelgeving

37.

Waarom investeren multinationals vaak in lagelonenlanden?

a)

Lagere productiekosten en minder strenge milieuregels

b)

Hogere belastingen en strengere arbeidswetten

c)

Beperkte toegang tot grondstoffen

d)

Kleinere afzetmarkt

38.

Wat is een gevolg van directe buitenlandse investeringen (dbi's)?

a)

Lagere werkgelegenheid in ontwikkelingslanden

b)

Verbetering van infrastructuur en technologie in het investeringsland

c)

Een afname van internationale samenwerking

d)

Verlies van kennis en innovatie in centrumlanden

39.

Wat wordt bedoeld met een 'global shift'?

a)

Een verschuiving van het economisch zwaartepunt naar Azië

b)

De terugkeer van productie naar westerse landen

c)

Een afname van de invloed van multinationals

d)

De opkomst van regionale handel in Europa

40.

Wat is een kenmerk van tijd-ruimtecompressie?

a)

Transportkosten nemen toe

b)

Afstanden lijken kleiner door snellere verbindingen

c)

De wereld wordt groter en minder verbonden

d)

Mensen verplaatsen zich minder door globalisering

41.

Wat is een voorbeeld van Zuid-Zuidmigratie?

a)

Een Marokkaanse student gaat studeren in Frankrijk

b)

Een Chinese arbeider verhuist naar Duitsland voor werk

c)

Een Venezolaanse vluchteling trekt naar Brazilië

d)

Een Amerikaanse expat werkt tijdelijk in Japan

42.

Wat is een belangrijke oorzaak van kettingmigratie?

a)

Economische crisis in westerse landen

b)

Familieleden en bekenden die al eerder gemigreerd zijn

c)

Striktere immigratieregels

d)

De afname van globalisering

43.

Waarom kiezen veel hoogopgeleide migranten ervoor om naar Noord-Amerika of Europa te verhuizen?

a)

Hogere lonen en betere carrièremogelijkheden

b)

Minder concurrentie op de arbeidsmarkt

c)

Lagere kosten van levensonderhoud

d)

Striktere migratieregels

44.

Wat is een remittance?

a)

Een internationale belasting op migratie

b)

Geld dat migranten naar hun thuisland sturen

c)

Een handelsbarrière tussen ontwikkelingslanden

d)

Een subsidie van de overheid aan migranten

45.

Wat is een pushfactor voor migratie?

a)

Goede werkgelegenheid in het bestemmingsland

b)

Economische armoede en werkloosheid in het thuisland

c)

Familieleden die al in het bestemmingsland wonen

d)

Hogere salarissen in westerse landen

46.

Wat is een voorbeeld van culturele diffusie?

a)

De verspreiding van sushi van Japan naar Europa

b)

De invoering van handelsbelemmeringen

c)

De afname van toerisme wereldwijd

d)

De sluiting van grenzen voor migranten

47.

Wat is een kenmerk van culturele globalisering?

a)

Culturen blijven strikt gescheiden

b)

Traditionele culturen verdwijnen volledig

c)

Cultuurelementen verspreiden zich over de hele wereld

d)

Migratie neemt af door culturele verschillen

48.

Wat is een kenmerk van glokalisering?

a)

Wereldwijde producten worden aangepast aan lokale culturen

b)

Internationale merken verdwijnen door nationalisme

c)

Lokale culturen verdwijnen volledig door globalisering

d)

Alle landen krijgen dezelfde taal en cultuur

49.

Wat is een voorbeeld van amerikanisering?

a)

De opkomst van Bollywood in India

b)

De invloed van de Amerikaanse film- en muziekcultuur wereldwijd

c)

De verspreiding van de Chinese keuken in Europa

d)

De toenemende populariteit van Franse modemerken

50.

Welke rol spelen wereldsteden in globalisering?

a)

Ze zijn knooppunten voor handel, cultuur en innovatie

b)

Ze zorgen ervoor dat globalisering stopt

c)

Ze worden steeds minder belangrijk in de wereldeconomie

d)

Ze bestaan alleen in westerse landen

51.

Wat is een positief gevolg van globalisering?

a)

Meer werkgelegenheid in alle sectoren van de economie

b)

Lagere prijzen en een grotere keuze aan producten

c)

Minder concurrentie tussen bedrijven

d)

Minder economische groei in ontwikkelingslanden

52.

Wat is een negatief gevolg van globalisering?

a)

Afname van internationale handel

b)

Toenemende inkomensongelijkheid binnen landen

c)

Vermindering van transport en logistiek

d)

Versterking van nationale economieën zonder internationale invloed

53.

Waarom kiezen sommige bedrijven voor reshoring?

a)

Lagere lonen in westerse landen

b)

Hogere productiekosten in het thuisland

c)

Minder afhankelijkheid van geopolitieke spanningen

d)

Grotere behoefte aan offshoring

54.

Wat is een milieugevolg van globalisering?

a)

Minder CO₂-uitstoot door internationale handel

b)

Verlies van biodiversiteit door ontbossing en industrialisatie

c)

Afname van transportbewegingen wereldwijd

d)

Minder energieverbruik door fabrieken

55.

Wat is een reden waarom landen handelsbelemmeringen invoeren?

a)

Om buitenlandse producten goedkoper te maken

b)

Om de eigen economie en bedrijven te beschermen

c)

Om globalisering te versnellen

d)

Om buitenlandse investeringen te stimuleren

56.

Wat is een voorbeeld van culturele globalisering?

a)

De verspreiding van westerse fastfoodketens in Azië

b)

De opkomst van lokale ambachten in Europa

c)

De groei van traditionele muziek in de Verenigde Staten

d)

De afname van internationale toerisme

57.

Welke van de volgende factoren kan een pushfactor zijn voor migratie?

a)

Hogere levensstandaard in het gastland

b)

Oorlog en geweld in het thuisland

c)

Familieleden die al in het gastland wonen

d)

Toegang tot betere gezondheidszorg