Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hartfysiologie Quiz

Total questions: 85

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste volgorde van de elektrische activiteit in een hartcel?

a)

Repolarisatie → Depolarisatie

b)

Contractie → Depolarisatie → Repolarisatie

c)

Depolarisatie → Repolarisatie

d)

Depolarisatie → Contractie → Polariteit

2.

Wat is de rol van calciumionen in het hart?

a)

Zij veroorzaken depolarisatie

b)

Ze zorgen voor geleiding van de prikkel

c)

Ze zorgen ervoor dat de hartspier daadwerkelijk samentrekt

d)

Ze remmen de hartprikkelvorming

3.

Wat wordt bedoeld met de term 'actiepotentiaal'?

a)

De mechanische beweging van het hart

b)

De elektrische activiteit van het hart tijdens een volledige ionenwisseling

c)

De rustfase van de hartspiercel

d)

Het moment waarop de sinusknoop vuurt

4.

Welke drie ionen spelen een hoofdrol bij het ontstaan van een hartprikkel?

a)

Calcium, magnesium, natrium

b)

Calcium, natrium, kalium

c)

Kalium, chloride, calcium

d)

Fosfaat, kalium, natrium

5.

Wat kan een gevolg zijn van elektrolytenstoornissen of bepaalde medicijnen?

a)

Sneller herstel van de hartcellen

b)

Verkorte repolarisatie

c)

Verlengen van het actiepotentiaal

d)

Afname van calcium in het bloed

6.

Wat wordt bedoeld met de "vulnerable periode" (VP)?

a)

De fase waarin het hart volledig ongevoelig is voor prikkels

b)

De tijd tussen P-top en QRS-complex

c)

Het moment midden in de T-top waarin het hart extra gevoelig is voor prikkels

d)

De tijd waarin het hart het meeste bloed pompt

7.

Wat gebeurt er bij een verlengde QT-tijd op een ECG?

a)

De depolarisatie verloopt sneller

b)

De hartslag neemt toe

c)

De refractaire periode wordt korter

d)

De vulnerable periode wordt breder

8.

Welke medicijnen kunnen een verlengde QT-tijd veroorzaken?

a)

Haloperidol

b)

Paracetamol

c)

Amiodaron

d)

Domperidon

9.

Wat betekent 'ectopie' in de context van hartprikkels?

a)

Het vertragen van de hartslag

b)

Een normale prikkel vanuit de sinusknoop

c)

Het ontstaan van een prikkel op een ongewenst moment

d)

Het gelijktijdig afvuren van alle hartcellen

10.

Welke cellen kunnen een prikkel vormen als de sinusknoop faalt?

a)

Alleen de AV-knoop

b)

Alle hartspiercellen

c)

Alleen atriale cellen

d)

Alleen ventriculaire cellen

11.

Wat is de functie van de sinusknoop in het hart?

a)

Het afsluiten van de atria

b)

Het vormen van de eerste elektrische prikkel

c)

Het contraheren van de ventrikels

d)

Het blokkeren van verkeerde prikkels

12.

Welke cellen zijn in staat om zelfstandig een prikkel op te wekken als de sinusknoop uitvalt?

a)

Alleen de atriale cellen

b)

Alleen de AV-knoop

c)

Alle prikkelvormende cellen van het hart

d)

Alleen de ventrikels

13.

Wat zie je op het ECG als er sprake is van een verlengde QT-tijd?

a)

Een kortere T-top

b)

Een verlengd QRS-complex

c)

Een langere afstand tussen het begin van Q en het einde van T

14.

Wat zie je op het ECG als er sprake is van een verlengde QT-tijd?

a)

Een kortere T-top

b)

Een verlengd QRS-complex

c)

Een langere afstand tussen het begin van Q en het einde van T

d)

Een verdikte P-top

15.

Wat is de refractaire periode?

a)

De periode waarin de hartcel extra gevoelig is voor prikkels

b)

De periode waarin de hartcel volledig gevoelig is voor elke prikkel

c)

De periode waarin een hartcel niet of nauwelijks opnieuw kan worden geprikkeld

d)

De periode tussen contractie en ontspanning van de hartspier

16.

Wat is de meest kwetsbare fase voor het ontstaan van levensbedreigende ritmestoornissen?

a)

Begin van de QRS-complex

b)

Midden in de P-top

c)

Tijdens de vulnerable periode in de T-top

d)

Tijdens het ST-segment

17.

Wat is de normale duur van de PQ-tijd (PR-interval) op een ECG?

a)

0,06 - 0,11 sec

b)

0,12 - 0,20 sec

c)

0,20 - 0,30 sec

d)

0,30 - 0,40 sec

18.

Welke structuur in het hart vertraagt de elektrische prikkelgeleiding om de atria de tijd te geven om samen te trekken voordat de ventrikels worden geactiveerd?

a)

Sinusknoop

b)

Bundel van His

c)

AV-knoop

d)

Purkinje-vezels

19.

Een QRS-complex met een duur van meer dan 0,12 sec duidt op:

a)

Normale ventriculaire geleiding

b)

Atriale fibrillatie

c)

Intraventriculaire geleidingsstoornis (IVGS)

d)

Eerste graads AV-blok

20.

Wat geeft de T-top op een ECG weer?

a)

Depolarisatie van de atria

b)

Depolarisatie van de ventrikels

c)

Repolarisatie van de ventrikels

d)

Repolarisatie van de atria

21.

Welke methode is het meest geschikt om de hartfrequentie te bepalen bij een onregelmatig ritme?

a)

300 gedeeld door het aantal grote hokjes tussen twee QRS-complexen

b)

3 seconden regel: tel het aantal QRS-complexen in 6 seconden en vermenigvuldig met 10

c)

300-150-100-75-60-50-43-37 methode

d)

1500 gedeeld door het aantal kleine hokjes tussen twee R-toppen

22.

Wat is een kenmerk van een derdegraads AV-blok?

a)

Verlengde PQ-tijd zonder uitval van QRS-complexen

b)

Geleidelijke verlenging van de PQ-tijd gevolgd door een uitgevallen QRS-complex

c)

Geen relatie tussen P-toppen en QRS-complexen

d)

Elke tweede P-top wordt niet gevolgd door een QRS-complex

23.

Wat betekent een verbreed QRS-complex op een ECG?

a)

Normale geleiding via de bundeltakken

b)

Prikkelgeleiding via een alternatieve route buiten de bundeltakken om

c)

Verhoogde hartfrequentie

d)

Verlengde PQ-tijd

24.

Wat is de standaard papiersnelheid van een ECG?

a)

10 mm/sec

b)

25 mm/sec

c)

50 mm/sec

d)

100 mm/sec

25.

Wat is de normale QRS-duur op een ECG?

a)

0,04 - 0,06 sec

b)

0,06 - 0,11 sec

c)

0,12 - 0,20 sec

d)

0,20 - 0,30 sec

26.

Wat geeft de PQ-tijd op een ECG aan?

a)

De tijd tussen ventriculaire depolarisatie en repolarisatie

b)

De tijd tussen atriale depolarisatie en ventriculaire depolarisatie

c)

De duur van de vent

27.

Wat geeft de PQ-tijd op een ECG aan?

a)

De tijd tussen ventriculaire depolarisatie en repolarisatie

b)

De tijd tussen atriale depolarisatie en ventriculaire depolarisatie

c)

De duur van de ventriculaire depolarisatie

d)

De duur van de atriale repolarisatie

28.

Wat is de normale duur van het QRS-complex op een ECG?

a)

0,02 - 0,05 sec

b)

0,06 - 0,11 sec

c)

0,12 - 0,20 sec

d)

0,21 - 0,30 sec

29.

Welke structuur vertraagt de elektrische prikkelgeleiding tussen de atria en ventrikels?

a)

Sinusknoop

b)

AV-knoop

c)

Bundel van His

d)

Purkinjevezels

30.

Wat geeft de T-top op een ECG weer?

a)

Depolarisatie van de atria

b)

Depolarisatie van de ventrikels

c)

Repolarisatie van de ventrikels

d)

Repolarisatie van de atria

31.

Wat betekent een PQ-tijd langer dan 0,20 sec?

a)

Normale geleiding

b)

1e graads AV-blok

c)

2e graads AV-blok

d)

3e graads AV-blok

32.

Wat is een kenmerk van een 2e graads AV-blok type Wenckebach?

a)

Constante PQ-tijd

b)

PQ-tijd die geleidelijk toeneemt tot een uitval van een QRS-complex

c)

Elke P-top wordt gevolgd door een QRS-complex

d)

Geen relatie tussen P-toppen en QRS-complexen

33.

Wat is een normale duur van het QRS-complex op een ECG bij een volwassene?

a)

0,08-0,12 seconden

b)

0,12-0,20 seconden

c)

0,20-0,30 seconden

d)

0,04-0,08 seconden

34.

Welke bevinding past het best bij boezemfibrilleren op een ECG?

a)

Regelmatig ritme met normale P-toppen

b)

Onregelmatig ritme zonder duidelijke P-toppen

c)

Regelmatig ritme met brede QRS-complexen

d)

Regelmatig ritme met ST-elevaties

35.

Hoeveel kleine hokjes op het ECG komen overeen met een PQ-tijd van 0,20 seconden?

a)

2

b)

4

c)

5

d)

6

36.

Wat geeft de hartas aan op een ECG?

a)

De richting van de elektrische activiteit in het atrium

b)

De richting van de elektrische activiteit in het hele hart

c)

De frequentie van het hartritme

d)

De tijd tussen de P-top en het QRS-complex

37.

Wat is de meest waarschijnlijke betekenis van een QRS-duur van 0,16 seconden?

a)

Normaal ECG

b)

Sinusritme

c)

Bundeltakblok

d)

Boezemflutter

38.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een ST-elevatie in afleidingen II, III en aVF?

a)

Anterieure myocardinfarct

b)

Lateraal myocardinfarct

c)

Inferieur myocardinfarct

d)

P

39.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een ST-elevatie in afleidingen II, III en aVF?

a)

Anterieure myocardinfarct

b)

Lateraal myocardinfarct

c)

Inferieur myocardinfarct

d)

Pericarditis

40.

Je ziet een regelmatig ritme van 150/min met smalle QRS-complexen en zaagtand-achtige P-toppen. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

a)

Boezemflutter met vaste geleiding

b)

Boezemfibrilleren

c)

Sinustachycardie

d)

Ventrikeltachycardie

41.

Wat is het effect van hyperkaliëmie op het ECG?

a)

Verlengd QT-interval

b)

Lage T-toppen

c)

Spitse, hoge T-toppen

d)

ST-elevaties

42.

Wat betekent een PR-interval van >0,20 seconden?

a)

Normaal sinusritme

b)

1e graads AV-blok

c)

2e graads AV-blok type Mobitz II

d)

Ventrikeltachycardie

43.

Welke ECG-finding hoort het best bij een acuut anterieur myocardinfarct?

a)

ST-elevatie in V1-V4

b)

ST-elevatie in II, III, aVF

c)

ST-depressie in V1-V4

d)

QRS-verlenging

44.

Wat is de juiste interpretatie van een ECG met totaal onregelmatig ritme, geen zichtbare P-toppen en smalle QRS-complexen?

a)

Boezemflutter

b)

Sinustachycardie

c)

Boezemfibrilleren

d)

Ventrikeltachycardie

45.

Welke van de volgende kenmerken wijst het meest op een acuut pericarditis op het ECG?

a)

ST-elevaties in meerdere afleidingen met convexe vorm

b)

ST-elevaties in meerdere afleidingen met concave vorm en PR-depressie

c)

ST-elevatie alleen in V1-V4 met reciproke depressies

d)

Afwezige P-toppen en onregelmatige RR-intervallen

46.

Welk ECG-kenmerk is het meest typerend voor een volledige AV-blok (derdegraads AV-blok)?

a)

P-toppen en QRS-complexen zijn volledig losgekoppeld van elkaar

b)

P-toppen volgen na elk QRS-complex met een vast interval

c)

Geen P-toppen zichtbaar

d)

Onregelmatig onregelmatig hartritme zonder duidelijke P-toppen

47.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een breed QRS-complex (>120 ms) in combinatie met een regelmatige tachycardie?

a)

Atriumfibrilleren

b)

Ventriculaire tachycardie

c)

Sinustachycardie

d)

AVNRT (AV-nodale re-entry tachycardie)

48.

Wat is het eerst te verwachten ECG-teken bij hyperkaliëmie?

a)

Brede QRS-complexen

b)

Afwezige P-toppen

c)

Spitse, hoge T-toppen

d)

ST-elevaties

49.

Bij een patiënt zie je een regelmatige tachycardie van 150 bpm met smalle QRS-complexen en geen zichtbare P-toppen. Wat is de meest waarschijnlijke ritmestoornis?

a)

Ventrikeltachycardie

b)

Atriumfibrilleren

c)

AVNRT (AV-nodale re-entry tachycardie)

d)

Sinustachycardie

50.

Wat is het meest kenmerkende ECG-verschijnsel bij atriumflutter?

a)

Onregelmatig onregelmatig ritme zonder P-toppen

b)

Regelmatig ritme met zaagtandvormige fluttergolven in onderwandafleidingen

c)

Brede QRS-complexen zonder P-toppen

d)

Lang PQ-interval met 1 op 1 geleiding

51.

Een ECG toont brede QRS-complexen met een linkerasdeviatie. Welke bundeltakblokkade is het meest waarschijnlijk?

a)

Rechterbundeltakblok

b)

Linkerbundeltakblok

c)

Linker anterieure fasciculusblok

d)

Linker posterieure fasciculusblok

52.

Wat betekent een delta-golf op het ECG?

a)

Een teken van vroegtijdige ventriculaire activatie bij WPW-syndroom

b)

Een teken van pericarditis

c)

Een teken van AV-blok

d)

Een teken van ventrikeltachycardie

53.

Wat is een typisch ECG-kenmerk van longembolie?

a)

Convexe ST-elevaties in V1-V4

b)

S1Q3T3 patroon (diepe S in I, Q in III, negatieve T in III)

c)

Spitse T-toppen in alle afleidingen

d)

Diffuse ST-elevaties en PR-depressie

54.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een brede QRS-complex (≥120 ms) bij een regelmatig ritme met een normale hartfrequentie?

a)

Atriumfibrilleren

b)

Ventrikelgeleidingsstoornis (bijv. LBTB of RBTB)

c)

Sinusaritmie

d)

AV-blok type 1

55.

Welke ECG-verandering is het meest kenmerkend voor hyperkaliëmie?

a)

T-toppen verdwijnen

b)

Peaked (spitse) T-toppen

c)

Verlengd QT-interval

d)

ST-elevatie

56.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een verlengd QT-interval?

a)

Hyperkaliëmie

b)

Hypocalciëmie

c)

Ventrikeltachycardie

d)

AV-blok type 2

57.

Wat betekent een negatieve P-top in afleiding II meestal?

a)

Normale sinusritme

b)

Retrograde atriale activatie

c)

Linker atriale overbelasting

d)

Ventrikelfibrilleren

58.

Wat is de meest betrouwbare maat op het ECG voor het inschatten van een risico op Torsade de Pointes?

a)

PQ-interval

b)

QTc-interval

c)

QRS-duur

d)

Hartfrequentie

59.

Wat past het beste bij een ECG met een regelmatig smal QRS-ritme van 160 bpm, waarbij P-toppen niet goed zichtbaar zijn en het begin plots lijkt te ontstaan?

a)

Sinustachycardie

b)

Atriumfibrilleren

c)

AVNRT (atrioventriculaire nodale re-entry tachycardie)

d)

Ventrikeltachycardie

60.

Wat is de meest kenmerkende ECG-verandering bij een acuut myocardinfarct in de hyperacute fase?

a)

T-top inversie

b)

ST-segment elevatie

c)

Pathologische Q-golven

d)

Spitse symmetrische T-toppen

61.

ocardinfarct in de hyperacute fase?

a)

T-top inversie

b)

ST-segment elevatie

c)

Pathologische Q-golven

d)

Spitse symmetrische T-toppen

62.

Wat is het belangrijkste kenmerk van atriumfibrilleren op het ECG?

a)

Regelmatig smal QRS-ritme

b)

P-toppen voorafgaand aan elk QRS

c)

Irregulair onregelmatig ritme zonder duidelijke P-toppen

d)

Brede QRS-complexen met regelmaat

63.

Welke van de onderstaande bevindingen op een ECG past het meest bij een acuut longembolie?

a)

T-top inversie in V1-V4

b)

ST-elevatie in II, III en aVF

c)

QRS-verbrede complexen

d)

P-pulmonale in V1

64.

Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van een regelmatige bradycardie met een hartfrequentie van 45 bpm, met elke P-top gevolgd door een QRS, en een PQ-tijd van >0,20 seconden?

a)

AV-blok type 1

b)

AV-blok type 2 Mobitz I

c)

Sinusbradycardie

d)

AV-blok type 2 Mobitz II

65.

Een ECG toont een onregelmatig onregelmatig ritme met smalle QRS-complexen en geen duidelijke P-toppen. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

a)

Atriumflutter met variabele geleiding

b)

Sinusritme met PAC's

c)

Atriumfibrilleren

d)

Multifocale atriale tachycardie

66.

Wat is een typisch ECG-kenmerk van een pericarditis?

a)

ST-elevatie in een beperkt aantal afleidingen

b)

ST-elevatie in bijna alle afleidingen met PR-depressie

c)

ST-depressie met hoge symmetrische T-toppen

d)

Pathologische Q-golven

67.

Bij een ECG zie je een regelmatig ritme van 140 bpm, smalle QRS-complexen, en een 'zaagtand'-achtig patroon in de onderwand-afleidingen. Wat is dit waarschijnlijk?

a)

AVNRT

b)

Atriumflutter

c)

Sinustachycardie

d)

Ventrikeltachycardie

68.

Welke afleiding hoort bij het rechterventrikelgebied en is dus van belang bij verdenking op rechtsbelasting?

a)

V6

b)

V3

c)

V1

d)

aVL

69.

Wat betekent een QRS-duur van >120 ms bij een regulier ritme?

a)

Normaal QRS

b)

Mogelijk linker- of rechterbundeltakblok

c)

Hyperkaliëmie

d)

Sinusbradycardie

70.

Wat is het eerste dat je beoordeelt bij een ECG volgens een systematische aanpak?

a)

ST-segmenten

b)

Hartritme en frequentie

c)

QRS-duur

d)

T-top morfologie

71.

Een patiënt heeft een ECG met brede QRS-complexen en regelmaat bij een ritme van 160 bpm. Wat is de grootste zorg?

a)

Supraventriculaire tachycardie met bundeltakblok

b)

AVNRT

c)

Ventrikeltachycardie

d)

Sinustachycardie

72.

Wat is een kenmerk van een linkerbundeltakblok (LBTB)?

a)

Rechter precordiale afleidingen met RSR'-patroon

b)

Brede negatieve QRS in V1 en brede positieve in V6

c)

Q-golven in de onderwand

d)

Regelmatig smal QRS-ritme

73.

Wat is een typisch teken van hyperkaliëmie op het ECG?

a)

Brede P-toppen

b)

ST-elevatie

c)

Spitse, hoge T-toppen

d)

P-top verlies met smal QRS

74.

Wat is de belangrijkste reden om een ECG te maken bij een patiënt met acute pijn op de borst?

a)

Uitsluiten van pericarditis

b)

Herkennen van ritmestoornissen

c)

Uitsluiten van een myocardinfarct

d)

Beoordelen van elektrolytenstoornissen

75.

Welke ionen spelen de belangrijkste rol in de elektrische activatie en contractie van de hartspiercellen?

a)

Kalium en magnesium

b)

Natrium, kalium en calcium

c)

Calcium en chloride

d)

Natrium en fosfaat

76.

Wat gebeurt er met de QT-tijd op het ECG bij een verlengd actiepotentiaal?

a)

De QT-tijd wordt korter

b)

De QT-tijd blijft gelijk

c)

De QT-tijd wordt langer

d)

All

77.

Wat gebeurt er met de QT-tijd op het ECG bij een verlengd actiepotentiaal?

a)

De QT-tijd wordt korter

b)

De QT-tijd blijft gelijk

c)

De QT-tijd wordt langer

d)

Alleen de PQ-tijd verandert

78.

Wat is de vulnerable periode (VP)?

a)

Begin van de P-top

b)

Einde van de QRS

c)

Midden in de T-top

d)

Tussen P-top en QRS

79.

Welke bewering over de PQ-tijd is correct?

a)

Een PQ-tijd >0,20 sec is normaal bij jonge mensen

b)

Een PQ-tijd <0,12 sec duidt op een AV-blok

c)

Een PQ-tijd van 0,12-0,20 sec is normaal

d)

PQ-tijd heeft geen diagnostische waarde

80.

Wat betekent het als een QRS-complex breder is dan 0,12 sec?

a)

Normaal sinusritme

b)

P-top ontbreekt

c)

Intraventriculaire geleidingsstoornis (IVGS)

d)

Eerste graads AV-blok

81.

Wat is de standaard papiersnelheid van een ECG?

a)

10 mm/sec

b)

25 mm/sec

c)

50 mm/sec

d)

1 mm/sec

82.

Wat is ectopie?

a)

Een prikkel die altijd in de sinusknoop ontstaat

b)

Een normale sinusprikkel

c)

Een prikkel die ontstaat buiten de normale prikkelplek

d)

Geleidingsvertraging in de AV-knoop

83.

Wat betekent het als P-toppen wél aanwezig zijn, maar niet elk gevolgd worden door een QRS-complex?

a)

Normaal hartritme

b)

Sinusarrest

c)

AV-blok

d)

Ventrikelfibrilleren

84.

Welke van de volgende medicijnen kunnen de QT-tijd verlengen en daarmee de kans op levensbedreigende ritmestoornissen vergroten?

a)

Paracetamol en ibuprofen

b)

Sotalol en haloperidol

c)

Salbutamol en furosemide

d)

Acetylsalicylzuur en clopidogrel

85.

Welke bewering over de AV-knoop is juist?

a)

Geleidt de prikkel snel van atria naar ventrikels

b)

Ligt in het ventrikel en vertraagt de