wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Burgerlijk Recht

Total questions: 20

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Welke stelling is juist met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht zoals dat geldt vanaf 1 januari 2018?

a)

Er geldt een beperkte gemeenschap van goederen, partners kunnen geen huwelijkse voorwaarden maken

b)

Er geldt een algehele gemeenschap van goederen, partners kunnen geen huwelijkse voorwaarden maken.

c)

Er geldt een algehele gemeenschap van goederen, partners kunnen huwelijkse voorwaarden maken.

d)

Er geldt een beperkte gemeenschap van goederen, partners kunnen huwelijkse voorwaarden maken.

2.

Welke stelling is juist?

a)

Stiefkinderen zijn geen wettelijk erfgenaam van de stiefouder.

b)

Een onterfde echtgenoot kan een beroep doen op de legitieme portie.

c)

Maarten heeft twee kinderen; een biologisch kind en een adoptief kind. Alleen het biologische kind is erfgenaam.

d)

Een testament is alleen geldig als het geregistreerd is bij de Belastingdienst

3.

Welke stelling is juist?

a)

Niet-registergoederen kunnen onroerend zijn.

b)

Op een registergoed kan een bezitloos pandrecht gevestigd worden.

c)

Registergoederen kunnen roerend zijn.

d)

Een hypotheek kan alleen gevestigd worden op onroerende zaken.

4.

Jaap steelt een fiets.

a)

Jaap is eigenaar van de fiets.

b)

Jaap is houder in enge zin van de van de fiets.

c)

Jaap is geen bezitter en geen eigenaar van de fiets.

d)

Jaap is bezitter van de fiets.

5.

Wat is juist?

a)

Het pand- en hypotheekrecht zijn geen absolute rechte

b)

Het begrip goed betekent hetzelfde als het begrip zaak.

c)

Of een zaak bestanddeel is van een hoofdzaak wordt alleen bepaald door verkeersopvattingen.

d)

Het eigendomsrecht is een absoluut recht.

6.

Welke stelling over goederen is niet juist?

a)

Goederen zijn onder te verdelen in zaken en vermogensrechten.

b)

Goederen zijn onder te verdelen in registergoederen en niet-registergoederen.

c)

Alleen onroerende zaken zijn registergoederen.

d)

Een auto is een voorbeeld van een roerende zaak / niet-registergoed.

7.

Wat geldt niet voor het eigendomsrecht?

a)

Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht op een zaak, en kan niet beperkt worden.

b)

De eigenaar heeft het recht van revindicatie.

c)

De eigenaar van de hoofdzaak is ook eigenaar van de bestanddelen van die hoofdzaak.

8.

Wat zijn kenmerken van een burgerlijk proces voor de kantonrechter?

a)

Actieve rechter, verplichte procesvertegenwoordiging.

b)

Lijdelijkheid van de rechter, geen verplichte procesvertegenwoordiging.

c)

Lijdelijkheid van de rechter, verplichte procesvertegenwoordiging.

d)

Actieve rechter, geen verplichte procesvertegenwoordiging.

9.

Wat is juist ten aanzien van een faillissement?

a)

Faillissement is een beslag op het gehele vermogen van de debiteur

b)

De failliet blijft beschikkingsbevoegd.

c)

De afwikkeling van een faillissement gebeurt door de failliet.

d)

Een faillissement eindigt met een schone lei.

10.

Wat is juist ten aanzien van de WSNP?

a)

Toelating tot de WSNP kan alleen door de schuldenaar zelf worden aangevraagd.

b)

Toelating tot de WSNP kan onder omstandigheden ook door het college van B&W worden aangevraagd.

c)

De WSNP eindigt altijd met een schone lei.

d)

Een natuurlijk persoon met problematische schulden wordt altijd toegelaten tot de WSNP.

11.

Een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid is

a)

B.V.

b)

Cooperatie

c)

onderlinge waarborgmaatschappij

d)

Maatschap

12.

Welke gegevens staan in het Handelsregister?

a)

Privéadres van de bestuurder

b)

Belastingaangifte

c)

leden van de directie

d)

geboorteakte

13.

Hoe wordt een VOF officieel opgericht?

a)

Door een mondelinge afspraak

b)

Door inschrijving in het Handelsregister

c)

Alleen door een notaris

d)

Door een contract bij de bank te tekenen

14.

Als één vennoot een contract afsluit namens de VOF, zijn andere vennoten dan aansprakelijk?

a)

ja, altijd

b)

nee, nooit

c)

Alleen als zij het contract tekenen

d)

Alleen als zij op de hoogte waren van het contract

15.

Welke twee soorten vennoten kent een C.V.?

a)

Beherende vennoten en stille vennoten

b)

Actieve vennoten en passieve vennoten

c)

Interne vennoten en externe vennoten

d)

Werkende vennoten en aandeelhoudende vennoten

16.

Wat houdt de aanbiedingsregeling in een B.V. in?

a)

Aandelen mogen altijd vrij worden verkocht aan derden

b)

Aandelen moeten eerst aan mede-aandeelhouders worden aangeboden

c)

Aandelen mogen alleen met toestemming van de notaris worden verkocht

d)

De B.V. bepaalt aan wie aandelen worden verkocht

17.

Wat is verplicht voor een vereniging maar niet voor een stichting?

a)

Een bestuur

b)

Een ledenvergadering

c)

Inschrijving bij de KvK

d)

Een maatschappelijk doel

18.

Wat houdt het retentierecht in?

a)

Het recht om betaling uit te stellen

b)

Het recht om een zaak vast te houden

c)

Het recht om een zaak vast te houden totdat betaling is ontvangen

d)

Het recht om een contract te beeindigen

19.

Wat is geen vereiste voor aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad?

a)

Onrechtmatigheid

b)

Schade

c)

Causaal verband tussen daad en schade

d)

Contractuele verplichting

20.

Wat is vereist voor een geldige overdracht van een roerend goed?

a)

Alleen een mondelinge titel

b)

Geldige titel en levering

c)

Notariele akte

d)

Goedkeuring van de Belastingdienst