wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Dementie VP 1.2

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Teken in de hersenen het gebied van Broca en het gebied van Wernicke in.

2.

In welke hersenhelft bevinden zich meestal de gebieden van Broca en Wernicke?

a)

In de linker hersenhelft

b)

In de rechter hersenhelft

c)

In de bovenste hersenhelft

d)

In de onderste hersenhelft

3.

What happens if Wernicke’s area is damaged?

a)

People have difficulty understanding spoken and written language.

b)

People gets crazy

c)

People lose movement of all the parts of their body

4.

Wat is de meest voorkomende soort dementie?

a)

Lewy-body

b)

Frontotemporale dementie

c)

Vasculaire dementie

d)

Alzheimer

5.

Frontotemporale dementie ( FTD) begint meestal met geheugenstoornissen.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Alzheimer begint vaak in de hypocampus. Op welk dier lijkt deze?

a)

Regenworm

b)

Zeepaardje

c)

Slakkenhuis

d)

Rups

7.

Dementie is een chronische ziekte.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Alzheimer wordt veroorzaakt door:

a)

Eiwitopstapeling

b)

Slechte doorbloeding in de hersenen

c)

Zuurstof tekort

d)

Virusinfecties

9.

Welke volgorde is juist?

a)

1. verborgen-ik

2. verdwaalde-ik

3.verzonken-ik

4. bedreigde-ik

b)

1. verdwaalde-ik

2.bedreigde-ik

3.verborgen-ik

4.verzonken-ik

c)

1. bedreigde-ik

2. verdwaalde-ik

3. verborgen-ik

4. verzonken-ik

d)

1. verzonken-ik

2. bedreigde-ik

3. verdwaalde-ik

4. verborgen-ik

10.

Wat is geen symptoom van dementie?

a)

Dingen niet herkennen

b)

Niet kunnen plannen

c)

Verminderde concentratie

d)

Stoppen met roken

11.

Welke vormen van dementie zijn er?

a)

Ziekte ven Alzheimer, Lewy body, vasculaire dementie en dementie

b)

Ziekte van Parkinson en alleen vasculaire dementie.

c)

Ziekte van Alzheimer , vasculaire dementie, frontotermonale dementie, Lewy body dementie

d)

Ziekte van Parkinson, ziekte van dementie en frontotermonale dementie

12.

Welke hersenfunctie gaat bij dementie als eerst achteruit?

a)

Het korte termijngeheugen

b)

Het lange termijn geheugen

13.

Jij vraagt aan de zorgvrager om de theedoek te pakken en hij geeft jou de wc rol. Dit noem je?

a)

Afasie

b)

Apraxie

c)

Agnosie

d)

Stoornis

14.

De zorgvrager kan de woorden niet vinden om jou te vertellen dat hij honger heeft.

a)

Afasie

b)

Apraxie

c)

Agnosie

d)

Stoornis

15.

Wat valt NIET onder cognitieve functies?

a)

Concentratie

b)

Stemming

c)

Probleem oplossen

d)

Geheugen

16.

Afasie is het onvermogen om

a)

jezelf te kunnen verzorgen

b)

dingen te herkennen

c)

op de juiste woorden te kunnen komen

d)

te kunnen plannen en organiseren

17.

Apraxie is het onvermogen om

a)

jezelf te kunnen verzorgen

b)

dingen te herkennen

c)

op de juiste woorden te kunnen komen

d)

te kunnen plannen en organiseren

18.

Wat is het eerste kenmerk dat optreedt bij Alzheimer

a)

Verwaarlozing

b)

Niet uit kunnen voeren van handelingen

c)

Vergeetachtigheid

d)

Opstandigheid

19.

De frontale hersenkwab bevindt zich aan de ..............kant van de hersenen.

a)

Voor

b)

Achter

c)

Zijkant links

d)

Zijkant rechts.

20.

Welk orgaan in de hersenen is belangrijk voor het geheugen.

a)

Amygdala

b)

Hypofyse

c)

Hippocampus

d)

Hypothalamus

21.

Welk orgaan regelt het gevoel en emotie

a)

Hippocampus

b)

Hypofyse

c)

Hypothalamus

d)

Amygdala

22.

Wat is de functie van het werkgeheugen?

a)

Slaat informatie voor een hele lange tijd op.

b)

Slaat informatie kortdurend op.

c)

Gaat met informatie aan de slag en slaat het tijdelijk op.

23.

Als een zorgvrager onaangepast gedrag laat zien, noem je dit?

a)

Confabuleren

b)

Decorumverlies

c)

Hallucineren

d)

Persevereren

24.

Apraxie betekent:

a)

Niet kunnen uitspreken van woorden

b)

Niet kunnen herkennen van woorden

c)

Onhandig aantrekken van een broek.

d)

Een broek op je hoofd zette,

25.

De zorgvrager begrijpt niet wat je zegt. Dit is een?

a)

Agnosie

b)

Apraxie

c)

Afasie

d)

confabuleren

26.

De zorgvrager zet het kopje op zijn hoofd omdat hij denkt dat het een hoed is.

a)

Afsie

b)

Agnosie

c)

Apraxie

d)

Confabuleren

27.

De zorgvrager kan de woorden niet vinden om jou te vertellen dat hij honger heeft.

a)

Afasie

b)

Agnosie

c)

Apraxie

d)

Confabuleren

28.

De zorgvrager kan zijn tanden niet meer poetsen. Dit is een voorbeeld van?

a)

Afasie

b)

Agnosie

c)

Apraxie

d)

Confabuleren

29.

Als de zorgvrager niet meer weet wat hij jou wilde vertellen en het verzint dan noem je het?

a)

Confabuleren

b)

Regulatiestoornissen

c)

Afasie

d)

Persevereren.