wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Gedrag H4

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Alles wat een dier doet is gedrag, behalve stil slapen.

a)

Goed

b)

Fout

2.

Jonge vogels sperren in reactie op

a)

Zien van ouders

b)

Honger

c)

Honger en zien van ouders

d)

broertjes en zusjes die sperren

3.

Honger en angst zijn voorbeelden van inwendige prikkels bij mensen.

a)

Goed

b)

Fout

4.

De hond ligt verdrietig in de mand.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

5.

De kat ligt stil bij de baas op schoot en spint zacht.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

6.

Een bioloog die diergedrag bestudeert is een

a)

Socioloog

b)

Ecoloog

c)

Etholoog

d)

Psycholoog

7.

Een lijst met beschrijvingen van handelingen noem je een

a)

Protocol

b)

Tabel

c)

Ethogram

d)

Sociogram

8.

De juiste volgorde van gedragsonderzoek is: observeren - ethogram maken - protocol maken - resultaten verwerken

a)

Goed

b)

Fout

9.

Gedrag ontstaat doordat dieren reageren op inwendige en uitwendige prikkels

a)

Goed

b)

Fout

10.

Jonge dieren leren door te spelen

a)

Goed

b)

Fout

11.

Een welpje leert jagen door zijn vader te imiteren

a)

Goed

b)

Fout

12.

Leren in een korte, gevoelige periode is

a)

Conditionering

b)

Inprenting

c)

Imiteren

d)

Inzicht

13.

Door na te denken een probleem op lossen, noem je

a)

Inprenting

b)

Inzicht

c)

Imiteren

14.

Je hebt leren schrijven door

a)

Imiteren en oefenen

b)

Imiteren

c)

Beloning en straf

d)

Inzicht

15.

Dieren train je het beste door

a)

Imiteren

b)

Belonen en straffen

c)

Inprenten

d)

Oefenen

16.

De zuigreflex bij een baby is een voorbeeld van

a)

Aangeboren gedrag

b)

Een reflex

c)

Beide

17.

Reflexen zijn snelle reacties die bewust gebeuren

a)

Goed

b)

Fout

18.

De meeste reflexen beschermen je lichaam tegen beschadigingen en vergroten de kans op overleven

a)

Goed

b)

Fout

19.

Lichaamstaal is non-verbaal gedrag

a)

Goed

b)

Fout

20.

Je tong uitsteken is voor een voorbeeld van

a)

Verbaal gedrag

b)

Non-verbaal gedrag

c)

Kinderachtig gedrag

21.

Je tong uitsteken is voor een medeleerling een

a)

Sleutelprikkel

b)

Signaal

c)

Verbaal gedrag

22.

Voorbeelden van verbaal gedrag zijn: lichaamshouding, geuren, kleuren en bewegingen

a)

Goed

b)

Fout

23.

In een groep grazende ganzen, is er altijd wel 1 gans die om zich heen kijkt

a)

Goed

b)

Fout

24.

De kip die het meeste wordt gepikt, staat het hoogst in de pikorde

a)

Goed

b)

Fout

25.

Honden laten geuren achter om hun territorium te markeren

a)

Goed

b)

Fout

26.

Een papegaai leert woorden van zijn baasje

a)

Inprenting

b)

Inzicht

c)

Imiteren

d)

Belonen en straffen

27.

Kuikens uit de broedmachine volgen de verzorger

a)

Imiteren

b)

Inprenting

c)

Inzicht

d)

Spelen

28.

Het terugtrekken van je arm is ALTIJD een reflex

a)

Goed

b)

Fout

29.

Een signaal van buitenaf noem je een

a)

Inwendige prikkel

b)

Uitwendige prikkel

30.

Steeds herhalen van gedrag heet

a)

Onnatuurlijk gedrag

b)

Oefenen

c)

Spelen

d)

Leren

31.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram