wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE thema 6- 7 - 8

Total questions: 151

Worksheet time: 1hrs 18mins

Name
Class
Date
1.

Door gewenning voel je de druk van je kleren op je lichaam niet meer

a)

waar

b)

niet waar

2.

pijnpunten komen alleen in je huid voor

a)

waar

b)

niet waar

3.

De warmte zintuigen geven in dit geval meer impulsen af

a)

waar

b)

niet waar

4.

wat is de adequate prikkel voor de zintuigen op je netvlies?

a)

licht

b)

zien

5.

Met welk deel wordt traanvocht geproduceerd?

a)

deel 2

b)

deel 6

c)

deel 1

d)

deel 4

6.

oogspieren zitten vast aan het harde oogvlies

a)

waar

b)

niet waar

7.

Met deel P is een evenwichtszintuig aangegeven

a)

waar

b)

niet waar

8.

De drempelwaarde voor het proeven van suiker ligt in dit geval tussen 1 en 10 mg/L.

a)

waar

b)

niet waar

9.

met welke delen wordt de hoeveelheid licht geregeld?

a)

alleen deel 3

b)

alleen deel 5

c)

deel 4 en 5

d)

deel 2, 4 en 5

10.

bij welke van de ogen zou het waarschijnlijk donker zijn?

a)

oog 1

b)

oog 2

c)

bij beide

11.

wat is de functie van het pupilreflex?

a)

ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op netvlies ontstaat

b)

de hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt

c)

de ogen beschermen tegen indringend vuil

12.

wat is de functie van het vaatvlies

a)

het geven van stevigheid aan je oog

b)

het regelen van hoeveelheid licht dat op je netvlies valt

c)

je oog van zuurstof en voedingstoffen voorzien

d)

het kunnen aanpassen van de scherpte

13.

bij welk nummer in de afbeelding wordt er een voorwerp van dichtbij bekeken?

a)

nummer 1

b)

nummer 2

c)

dat is in deze afbeelding niet te zien

14.

met welke zintuigen in je oog kun je bij heel weinig licht toch wat zien

a)

pupil

b)

kegeltjes

c)

staafjes

15.

welk onderdeel wordt er als eerst bereikt wanneer de trilling van de lucht je gehoorgang binnen is gekomen?

a)

gehoorbeentjes

b)

trommelvlies

c)

slakkenhuis

d)

venster

16.

wat is de functie van de buis van Eustachius?

a)

het verder vervoeren van geluidstrillingen

b)

afvoeren van overtollig oorsmeer

c)

afvoeren van binnendringende stofdeeltjes

d)

het gelijk houden van luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies

17.

welke zintuigcellen bevinden zich in de gele vlek

a)

alleen staafjes

b)

alleen kegeltjes

c)

zowel staafjes als kegeltjes

d)

geen van beide

18.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
19.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
20.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
22.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
23.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
24.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
25.
Wat wordt bedoeld in het kader  bij het vraagteken?
a)
Neusholte
b)
Neus-slijmvlies
c)
Reukharen
d)
Zintuigcellen
26.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
27.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
28.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
29.
Vanaf hoeveel decibel kan er gehoorschade optreden?
a)
60
b)
70
c)
80
d)
90
30.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
31.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
32.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
33.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
35.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
36.

De huid bestaat uit drie verschillende lagen. Hoe heten deze lagen?

a)

De opperhuid, de hoornlaag en de kiemlaag

b)

De opperhuid, de lederhuid en de kiemlaag

c)

De opperhuid, de lederhuid en het onderhuids vetweefsel

d)

De opperhuid de hoornlaag en het onderhuids vetweefsel

37.

De opperhuid bestaat uit de hoornlaag en de kiemlaag. Welk van de twee bestaat uit dode huidcellen?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

38.

Welk zintuig geeft informatie over de structuur van hetgeen dat je aanraakt? (bijvoorbeeld ruw of glad)

a)

Tastzintuig

b)

Drukzintuig

c)

Warmtezintuig

d)

Pijnzintuig

39.

Wat is de functie van het onderhuids vetweefsel? (er zijn twee juiste antwoorden)

a)

Dit is om je warm te houden

b)

Dit dient als bumper voor als je hard valt

c)

Dit geeft vorm aan de huid

d)

Dit is een reservevoorraad energie

40.

Welk onderdeel in de huid zorgt er voor dat de huid en de haren soepel blijven?

a)

Onderhuids vetweefsel

b)

Talgklier

c)

Haarzakje

d)

Bloedvat

41.

Wat is nummer 8?

a)

De oogspier

b)

De gele vlek

c)

Het hoornvlies

d)

De lens

42.

Wat is nummer 6?

a)

Het vaatvlies

b)

De gele vlek

c)

Het harde oogvlies

d)

De hoornlaag

43.

Waar of niet waar? De wenkbrouwen beschermen je oog tegen vliegjes.

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Wat is de prikkel voor je oog?

a)

Kleuren

b)

Geluid

c)

Voorwerp

d)

Licht

45.

Waar of niet waar? Als je kleurenblind bent kan je sommige kleuren niet zien, de meeste kleuren wel.

a)

Waar

b)

Niet waar

46.

Als je verziend bent dan ....

a)

Zie je van dichtbij niet scherp

b)

Zie je ver weg niet scherp

47.

Wat is de betekenis van een brandpunt?

a)

De plek waar het licht op het netvlies komt

b)

De plek waar de lichtstralen elkaar kruisen

c)

De plek waar de pupil het licht opvangt

d)

De plek waar de lichtstralen afbuigen door de lens

48.

Als je bijziend bent dan ...

a)

Zie je van veraf niet scherp

b)

Zie je dichtbij niet scherp

49.

Waarom is er een pupilreflex in het oog?

a)

Om het oog meer of minder kleur te geven

b)

Om scherp te kunnen zien

c)

Om de hoeveelheid licht te regelen

d)

Om het beeld door te geven aan de hersenen

50.

Baby's herkennen hun moeder door de geur.

a)

Waar

b)

Niet waar

51.

Het reukslijmvlies bevindt zich bovenin de neusholte (tussen de oogkassen) en geeft de signalen van de geur af aan de hersenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

52.

Je binnenoor bestaat uit het slakkenhuis. Het slakkenhuis is spiraalvormig en met vocht gevuld en geheel bekleed met kleine haarcellen. Deze haarcellen zijn belangrijk bij het doorgeven van signalen naar je hersenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

53.

Je oren bestaan uit drie delen:

Je uitwendige oor. Je middenoor. Je binnenoor.

a)

Waar

b)

Niet waar

54.
Wat is nummer 1?
a)
Traanbuis
b)
Traanklier
c)
Ooglid
d)
Traanvat
55.
Wat is nummer 3?
a)
Traanbuis
b)
Traanklier
c)
Ooglid
d)
Traanvat
56.
De iris:
a)
Regelt de druk in het oog.
b)
Regelt de hoeveelheid licht in het oog.
c)
Regelt de richting van het oog.
d)
Regelt de spierspanning in het oog.
57.
Als de lensbandjes zijn ontspannen dan is de ooglens:
a)
Bol
b)
Plat
c)
Dat is niet te zeggen.
58.
Wat kost meer kracht en energie?
a)
TV kijken
b)
Naar de blaadjes van bomen kijken.
c)
Een boek lezen.
59.
Het beeld dat zich op het netvlies vormt is:
a)
Omgekeerd
b)
Het zelfde
c)
Groter
60.
Rode ogen op een foto worden veroorzaakt door:
a)
Het nevlies
b)
Het glasachtig lichaam
c)
Het vaatvlies
d)
De iris
61.
Bij ver zien zijn de lensbandjes
a)
Ontspannen
b)
Strak getrokken
62.
Bij ver zien zijn de ogen
a)
In rust toestand
b)
Geaccommodeerd
63.
Bij ver zien zijn de lenzen
a)
Boller
b)
Zo plat mogelijk
64.
Wat is de functie van de pupilreflex?
a)
Zorgt voor een omgekeerd beeld op het netvlies
b)
Ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op het netvlies staat
c)
De hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt.
65.
Waar begint de reflexboog van de pupilreflex?
a)
In de iris 
b)
In het netvlies 
c)
In de lens
66.
Waar vindt de ‘’vertaling’’ van het omgekeerde beeld dat op het netvlies valt plaats?
a)
In de oogzenuwen
b)
In het gezichtscentrum in de grote hersenen
c)
In de zintuigcellen van het netvlies
67.
Welke zintuigcellen werken in een donkere kamer? 
a)
Alleen kegeltjes
b)
alleen staafjes
c)
zowel kegeltjes als staafjes
68.
Welke zintuigcellen werken in een goed verlichte kamer? 
a)
alleen de kegeltjes
b)
alleen de staafjes
c)
zowel de staafjes als de kegeltjes
69.
Hoe heet het deel van je oog waarmee je echt scherp ziet
a)
netvlies
b)
blinde vlek
c)
gele vlek
d)
oogzenuw
70.
Pupilreflex : Bij sterk licht 
a)
trekken de kringspiertjes zich samen, en ontspannen de lengtespiertjes 
b)
trekken de lengtespiertjes samen en ontspannen de kringspiertjes 
c)
trekken zowel lengte als kringspiertjes samen
71.
pupilreflex: bij zwak licht 
a)
trekken de lengtespiertjes zich samen en ontspannen de kringspiertjes 
b)
trekken de kringspiertjes samen en ontspannen de lengtespiertjes 
c)
trekken zowel de lengte- als kringspiertjes samen
72.
Wat is staar (cataract)?
a)
vertroebeling van de ooglens
b)
slecht werkende lensbandjes
c)
ontstoken hoornvlies
73.
 Er treedt breking van lichtstralen op door:
a)
 het hoornvlies en pupil
b)
uitsluitend de ooglens
c)
het hoornvlies en door de ooglens
74.
PUPILREFLEX:
waar worden impulsen opgewekt/
waar verloopt de impulsgeleiding
a)
Iris /
 gezichtscentrum 
b)
iris /
 hersenstam
c)
netvlies /
 gezichtscentrum
d)
netvlies/
hersenstam
75.
Valt in een oog het licht van kant P,  Q of R op het netvlies?
a)
P
b)
Q
c)
R
76.
Wat ontbreekt in het midden van de gele vlek
a)
zenuwcellen
b)
staafjes
c)
kegeltjes
77.
De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?
a)
ver weg
b)
dichtbij
78.

Als je gevoeliger wordt voor een adequate prikkel, dan is de drempelwaarde gestegen.

a)

Juist

b)

Onjuist

79.

Welke twee onderdelen kunnen de waarneming van prikkels beinvloeden volgens de theorie?

a)

Motivatie & alertheid

b)

Gewenning & vermoeidheid

c)

Motivatie & gewenning

d)

Gewenning & alertheid

80.

Welke zintuigen kunnen warmte waarnemen?

a)

Koudezintuigen

b)

Drukzintuigen

c)

Tastzintuigen

d)

Warmtezintuigen

81.

Een pijnpunt is...?

a)

Een vrij uiteinde van een zenuwcel

b)

Een zintuig in de tastknopjes

c)

slechts op enkele plekken in je lichaam te vinden

82.

Kies de juiste route van de waarneming van geur.

a)

Zenuw - reukzintuig - reukharen - hersenen

b)

Reukharen - reukzintuig - zenuw - hersenen

c)

Hersenen - reukharen - zenuw - reukzintuig

d)

Reukharen - zenuw - reukzintuig - hersenen

83.

Zet van groot naar klein

a)

Tong - groef - zintuigcel - smaakknopje- zenuw

b)

Tong - smaakknopje - zintuigcel - groef - zenuw

c)

Tong - groef - smaakknopje - zintuigcel - zenuw

d)

Tong - zintuigcel - groef - smaakknopje - zenuw

84.

Wat gebeurt er wanneer de buis van Eustachius verstopt raakt?

a)

Dan is er een verschil in luchtdruk, wat de gevoeligheid van het zintuig negatief beinvloed

b)

Dit kan niet gebeuren, omdat het in verbinding staat met je keelholte

c)

Je trommelvlies knapt direct, omdat er te veel druk op komt te staan.

d)

Je oorsmeer zorgt er voor dat dit nooit kan gebeuren.

85.

Geluiden zijn ...

a)

Snel reizende deeltjes

b)

Trillingen in de lucht

86.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
87.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
88.
Bij welke blessure is de pees bij de elleboog ontstoken?
a)
Botbreuk
b)
Kneuzing
c)
Tennisarm
d)
RSI
89.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
90.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
91.
Wat is GEEN functie van het skelet?
a)
Bescherming
b)
Vorm
c)
Beweging
d)
Verteren
92.
Uit welke beenderen bestaat de bekkengordel?
a)
Schouderbladeren + sleutelbeenderen
b)
Heupbeenderen + heiligbeen
c)
Bekken
94.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
94.
Hoe noem je twee spieren die de tegenovergestelde beweging van elkaar maken?
a)
Tegenstanders
b)
Anti-spieren
c)
Opponenten
d)
Antagonisten
95.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
96.

Bekijk het kattenskelet. Welke beenverbinding bevindt zich tussen nummer 1 en 2?

a)

een kraakbeenverbinding

b)

een scharniergewricht

c)

een kogelgewricht

d)

een naad

97.

Wat zijn de namen van de botten met nummer 5 en 6?

a)

5=schouderblad en 6=spaakbeen

b)

5=ellepijp en 6=rib

c)

5=opperarmbeen en 6=borstbeen

d)

5=dijbeen en 6=borstbeen

98.

Over het skelet van het paard worden twee uitspraken gedaan: Petra - nummer 9 is het borstbeen en Kees - nummer 10 is het opperarmbeen. Wie heeft gelijk?

a)

alleen Petra

b)

alleen kees

c)

beide

d)

geen van beide

99.

Welk gewrichtsonderdeel wordt bedoeld met nummer 1?

a)

gewrichtskapsel

b)

kraakbeenlaagje

c)

gewrichtssmeer

d)

kapselband

100.

Welke uitspraak over spieren en pezen is waar? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

zowel spieren als pezen kunnen samentrekken

b)

de triceps is een voorbeeld van een skeletspier

c)

spiertjes in de wand van je darmkanaal zijn gladde spieren

d)

het nut van spieren is: een beweging tot stand brengen

101.

Wat zijn elkaars antagonisten? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

buikspier en rugspier

b)

biceps en triceps

c)

borstspier en dijspier

d)

buikspier en kuitspier

102.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
103.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
104.
De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een 
a)
naadverbinding
b)
gewrichtsverbinding
c)
kraakbeenverbinding
d)
wervelverbinding
105.
Welk type gewricht zit tussen schouderblad en opperarmbeen?
a)
kogelgewricht
b)
schaniergewricht
106.
In de neus vind je kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
107.
Lijmstof verbrandt in een vlam
a)
Juist
b)
Onjuist
108.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
109.
Wat is je borstkas
a)
ribben + been + schedel
b)
borstbeen + been + ribben
c)
ribben + borstwervels + borstbeen
d)
borstwervels + ribben + been
110.
Welk paar beenderen vormt geen gewricht?
a)
heupbeen en dijbeen
b)
borstbeen en ribben
c)
opperarmbeen en ellepijp
d)
middenhandsbeentjes en vingerkootjes
111.
In de loop van je leven:
a)
komen er minder kalkzouten in je botten
b)
komt er minder lijmstof in je botten
c)
blijft de hoeveelheid kalkzouten en lijmstof gelijk.
d)
komt er meer lijmstof in je botten
112.
Welk type weefsel is dit?
a)
Beenweefsel
b)
Kraakbeenweefsel
c)
Tussencelstrof
d)
Zwakbeenweefsel
113.
Op welk plaatje zie je een naadverbinding?
a)
Plaatje 1
b)
Plaatje 2
c)
Plaatje 3
d)
Geen enkele
114.
Welk onderdeel zorgt voor bescherming tegen slijtage?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
115.
Welke organen worden door de ribbenkast beschermt?
a)
Hart
b)
Longen
c)
Hart en longen
d)
Slokdarm en maag
116.

Wat is geen functie van het skelet?

a)

Stevigheid

b)

Geeft vorm

c)

Zorgt voor hardheid

d)

Bescherming

117.
Nummer 2 is de?
a)
gewrichtskogel
b)
gewrichtskom
c)
gewrichtssmeer
d)
kraakbeenlaagje
118.
Oudere mensen breken hun botten sneller dan jonge mensen
a)
juist
b)
onjuist
119.
Been is buigzamer dan kraakbeen
a)
Juist
b)
onjuist
120.
Geluiden, geuren en kleuren kunnen prikkels zijn die bij dieren leiden tot bepaald gedrag.
Welke van deze prikkels kunnen een rol spelen bij het voortplantingsgedrag van dieren?
a)
Alleen geluiden en geuren
b)
Alleen geluiden en kleuren
c)
alleen geuren en kleuren
d)
zowel kleuren, als geuren en kleuren 
121.
Welke van de onderstaande gedragingen is aangeboren?
a)
Een stekelbaars valt een houten blokje met een rode onderkant aan.
b)
Een hamster wordt elke avond op dezelfde tijd actief.
c)
Een vogel komt elk jaar terug naar dezelfde broedplaats op hetzelfde eiland.
d)
Een roodborstje eet een onsmakelijk insect, spuugt het uit en eet er nooit meer een.
122.
Is een groot namaak-ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrol-gedrag?
En is een normaal ei buiten het nest een supranormale prikkel voor het inrol-gedrag?
a)
zowel een groot namaak-ei als een no
rmaal ei buiten het nest.
b)
alleen een normaal ei buiten het nest.
c)
 alleen een groot namaak-ei buiten het nest.
123.
Zanglijsters zijn dol op huisjesslakken. Ze zijn niet sterk genoeg om het slakkenhuis met de snavel open te breken. De lijster pakt met de snavel een slak bij de rand van de opening van het huis en mept daarmee net zo lang op een steen tot het huis breekt.
Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters deze aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt de techniek niet over.
Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?
a)
Gewenning
b)
Imitatie
c)
Inprenting
d)
Trial and error
124.
Mensen met hyperekplexia verstijven bij schrik enige ogenblikken volkomen. De aandoening is terug te leiden tot de aanwezigheid van een bepaald gen.
De Koning-Tijssen ontdekte dat er onder patiënten die gerekend worden tot de groep met hyperekplexia, mensen zijn die het 'verkeerde' gen niet hebben. Bij nader onderzoek bleek dat er onder de patiënten twee typen aandoeningen voorkomen: echte hyperekplexia en 'superschrik'. Mensen met superschrik zijn mensen die wel extreem schrikken, maar niet stijf worden. Als patiënten om de twintig seconden een harde knal te horen krijgen, kunnen ze onderscheiden worden. Patiënten met echte hyperekplexia reageren na drie knallen niet meer, patiënten met superschrik veren ook na twaalf knallen nog even hard overeind.
Welk type leerproces treedt bij echte hyperekplexia wel en bij superschrik niet op?
a)
Inzicht
b)
Trial and error
c)
Gewenning
d)
Conditionering
125.
Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun ‘moeder’ is.
Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?
a)
Conditionering
b)
Gewenning
c)
Inprenting
d)
Trial and error
126.
Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.
Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.
Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?
a)
Honger
b)
Het bewegen van het nest
c)
Het ruiken van een worm
d)
Het zien van hun ouder
127.
Bij chimpansees komt regelmatig kindermoord voor. Een man doodt dan een of meer jongen in de groep. De wetenschapper Sarah Blaffer Hrdy uitte de veronderstelling dat de evolutionaire achtergrond van dit gedrag is dat een man de jongen die niet van hem zijn, uitschakelt. Zijn genen hebben dan meer kans zich in de populatie te handhaven.
Hoe noemt men deze veronderstelling van Sarah Blaffer Hrdy?
a)
Conclusie
b)
Hypothese
c)
Resultaat
d)
Waarneming
128.
In een groep kippen is een bepaalde rangorde. Deze rangorde, de zogenaamde pikorde, bepalen de kippen door elkaar te pikken.
De meest gepikte kip staat onderaan in de pikorde. Aan de hand van een ethogram wordt van vijf kippen de pikorde bepaald.
Het resultaat is hieronder weergegeven. Een pijl wijst naar de kip die door een ander wordt gepikt.
image: http://biologiepagina.nl/Toetsen/gedragbovenbouw/pikkyo.jpg
Bepaal met behulp van de afbeelding de pikorde van de kippen.
Welke kip staat bovenaan in de pikorde? 
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
129.

Op een internetsite (www.nshd.nl) is deze informatie te vinden.


Twee soorten gedrag zijn: baltsgedrag en territoriumgedrag.

Tot welk soort gedrag behoort het kwaken van de kikkers zoals in de tekst beschreven wordt?

a)

alleen tot baltsgedrag

b)

alleen tot territoriumgedrag

c)

zowel tot baltsgedrag als tot territoriumgedrag

130.

Bij de Nachtzwaluw verlopen de balts en het broedgedrag als volgt.

Het mannetje glipt geruisloos tussen de bomen door. Soms gaat hij op een tak zitten "err-en": hij maakt een lang trillend geluid, dat klinkt als "errr-or err-or err". Soms antwoordt het wijfje en vliegt op. Hij volgt haar dan onmiddellijk, vliegt recht omhoog en maakt een aantal prachtige buitelingen, waarbij hij vaak zijn vleugels boven zijn rug tegen elkaar kletst. Vaak hoor je een kreet als "schroei". De achtervolging eindigt als ze een geschikte nestelplaats ergens op de grond gevonden hebben. Ze strijken samen neer, het vrouwtje neemt een gebogen houding aan en de vogels gaan over tot de paring.

Ze bouwen geen nest, maar maken een eenvoudig kuiltje op de kale grond, waarbij het vrouwtje hinderlijke grashalmen verwijdert. Vanaf half mei legt het vrouwtje twee eieren in het kuiltje. Bij het broeden draait het vrouwtje de dagdiensten alleen, pas bij het invallen van de duisternis komt manlief haar voor een korte periode aflossen. Als een mens of dier het legsel heeft aangeraakt of verschoven, rolt de nachtzwaluw de eieren naar een ander plekje, enkele meters van het oorspronkelijke. Als ze worden verrast bij het nest, doen de vogels alsof ze vleugellam zijn en lopen ze langzaam bij het nest weg.


Ook volwassen nachtzwaluwen die hun ouders nooit gezien hebben, lopen vleugellam weg als ze op het nest verrast worden.


Hoe komt dit type gedrag tot stand?

a)

doordat het erfelijk is vastgelegd

b)

doordat er gewenning is opgetreden

c)

als gevolg van inprenting

d)

doordat er inzicht is opgetreden

e)

door het proefondervindelijk te leren

131.

Een leerling krijgt een preparaat van een aantal cellen. Hij gebruikt een normale schoolmicroscoop om het preparaat te bekijken.

Voor het bekijken van het preparaat gebruikt de leerling een objectief waardoor de vergroting 600x wordt. Hij ziet een aantal chromosomen. In de afbeelding hiernaast is de schematische tekening die de leerling hiervan maakt.


Omdat hij denkt dat het beeld niet volledig is, wil hij het preparaat in de richting van de pijl verschuiven.

Als hij het preparaat in de richting van de pijl verplaatst, schuift het beeld juist de andere kant op. Daarna schuift de leerling net zo lang het preparaat allerlei kanten op tot hij de chromosomen in het midden van het beeld ziet.

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

inzicht

e)

trial and error

132.

Bijen reageren op de geur van suikerwater door hun opgerolde tong uit te steken. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben bijen blootgesteld aan de geur van bepaalde explosieven en ze tegelijk suikerwater gegeven. Na enkele uren hadden de bijen geleerd hun tong uit te steken als ze de explosieven roken, ook als ze geen suikerwater kregen. Zulke getrainde bijen hoopt men in de toekomst te kunnen gebruiken om bijvoorbeeld bommen op te sporen.


Hoe wordt de beschreven vorm van leren genoemd?

a)

conditionering

b)

gewenning

c)

trial and error

d)

inprenting

133.

Zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, terug in het nest. Bij onderzoek is gebleken dat zij namaakeieren, die wel twintig maal zo groot zijn als de eigen eieren eerder in het nest rollen dan de eigen eieren. De namaakeieren hebben hetzelfde kleurpatroon als de eigen eieren.

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan


1 Het grote namaakei is een sleutelprikkel voor het inrolgedrag, het normale eigen ei niet.

2 Het grote namaakei is een motiverende factor voor het inrolgedrag, het eigen ei niet.

3 Bij het inrolgedrag is sprake van een leerproces door inprenting.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

geen

b)

alleen 1

c)

alleen 2

d)

alleen 3

e)

alleen 2 en 3

134.

Edelherten en wolven samen op de Veluwe?


Edelherten leven in roedels. Een roedel bestaat uit herten van verschillende leeftijden. Een oud en ervaren vrouwtjeshert, de leidhinde, heeft de leiding over de roedel. Edelherten leren verstoringen te vermijden. Nadat in het verleden een paar keer op de leidhinde geschoten is, vlucht ze als ze de aanwezigheid van mensen bespeurt en de roedel volgt haar dan. Na verloop van tijd vermijden alle herten in de roedel deze verstoringen.


Op welk type leerproces berust het vluchtgedrag van de leidhinde? En op welk dat van de andere herten?

a)

bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op gewenning

b)

bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op imitatie

c)

bij de leidhinde op gewenning, bij de andere herten op imitatie

d)

zowel bij de leidhinde als bij de andere herten op gewenning

135.

De Nieuw-Zeelandse vliegenvanger is een vogelsoort die voorkomt in Nieuw-Zeeland en op enkele eilanden in de buurt van Nieuw-Zeeland. Zo'n 120 jaar geleden werd de hermelijn, een Europese roofdiersoort, in Nieuw-Zeeland ingevoerd. Er vielen aanvankelijk veel slachtoffers onder de vogels. Tegenwoordig zijn de vogels in Nieuw-Zeeland zeer waakzaam. Kort geleden belandden er ook hermelijnen op het dichtbij Nieuw-Zeeland gelegen eiland Motuara. Om te voorkomen dat de vrij kleine populatie van de vliegenvanger op dit eiland uitsterft, geeft een groep biologen de vogels een 'survival training': nagemaakte hermelijnen met een dode vliegenvanger in hun bek worden aan een touw over de grond getrokken. Daarbij wordt de alarmkreet van de vogels ten gehore gebracht. Deze biologen gaan er blijkbaar vanuit dat waakzaamheid ontwikkeld kan worden door een leerproces.


Van welk leerproces bij vliegenvangers proberen deze biologen gebruik te maken

a)

conditionering

b)

gewenning

c)

imitatie

d)

inprenting

e)

trial and error

136.

Alles wat een dier doet is gedrag, behalve stil slapen.

a)

Goed

b)

Fout

137.

Jonge vogels sperren in reactie op

a)

Zien van ouders

b)

Honger

c)

Honger en zien van ouders

d)

broertjes en zusjes die sperren

138.

Honger en angst zijn voorbeelden van inwendige prikkels bij mensen.

a)

Goed

b)

Fout

139.

De hond ligt verdrietig in de mand.

a)

Goede biologische beschrijving

b)

Foute biologische beschrijving

140.

De rode borst van een roodborstman is voor een andere roodborstman een

a)

Inwendige prikkel

b)

Motivatie om aan te vallen

c)

sleutelprikkel

d)

supranormale prikkel

141.

Een bioloog die diergedrag bestudeert is een

a)

Socioloog

b)

Ecoloog

c)

Etholoog

d)

Psycholoog

142.

De juiste volgorde van gedragsonderzoek is: observeren - ethogram maken - protocol maken - resultaten verwerken

a)

Goed

b)

Fout

143.

De kip die het meeste wordt gepikt, staat het hoogst in de pikorde

a)

Goed

b)

Fout

144.

Je noteert alle handelingen die een aap doet gedurende een kwartier. Je maakt een

a)

Ethogram

b)

Protocol

c)

Tabel

d)

Diagram

145.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

146.

Wat is gedrag?

a)

Alles wat een organismen doen.

b)

Bewust gedrag van mens en dier.

c)

Alles wat een mens of dier doet.

d)

Onbewust en bewust gedrag van organimen.

147.

Bewering: Als een die tijdens een training beloond wordt dan zal het dier de beloonde handeling herhalen.

a)

Juist

b)

Onjuist

148.

Jonge eendje lopen direct na de geboorte achter moedereend aan. Dit is een voorbeeld van?

a)

Imiteren

b)

Oefenen

c)

Inprenting

d)

Ethologie

150.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

150.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

151.

Door aangeboren gedrag en spelen vergroot een mens of dier?

a)

De overlevingskans

b)

Het inzicht

c)

Reflexen