wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen grammatica en spelling blok 3

Total questions: 26

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat het werkwoordelijk gezegde? Kies het goede antwoord.

a)

Persoonsvorm en het onderwerp

b)

Alle werkwoorden in de zin.

c)

De persoonsvorm

2.

Wat is het WWG in deze zin:

Ze wil morgen op het bal kunnen dansen in haar jurk.

a)

wil - kunnen - dansen

b)

morgen - kunnen

c)

ze - wil

3.

Wat is het WWG in deze zin:

Had jij nog een toetje willen bestellen?

a)

nog - bestellen

b)

Had - willen - bestellen

c)

willen - bestellen

4.

Is het werkwoord "zuigen" een klankvaste of een klankveranderende werkwoord?

a)

Klankvast

b)

klankveranderend

5.

Schrijf het werkwoord "zuigen" op in verleden tijd meervoud.

(a)  

6.

Schrijf het werkwoord "geven" op in verleden tijd meervoud.

(a)  

7.

Is het werkwoord "struikelen" een klankvaste of een klankveranderendewerkwoord?

(a)  

8.

Zet het werkwoord "poetsen" in verleden tijd meervoud.

(a)  

9.

Doe de tijdsproef door deze zin in een andere tijd op te schrijven.

Ik kijk vol spanning toe.

(a)  

10.

Wat is dus de persoonsvorm in deze zin?

Ik kijk vol spanning toe.

(a)  

11.

Wat is de persoonsvorm in deze zin:

Jij moet je boek nog kaften.

(a)  

12.

Wat voor werkwoordsvorm heeft het werkwoord gegeven?

a)

Persoonsvorm (PV)

b)

Hele werkwoord (HWW)

c)

Voltooid deelwoord (VD)

13.

Wat voor werkwoordsvorm heeft het werkwoord had in deze zin:

Dat had hij niet gedacht.

a)

Persoonsvorm (PV)

b)

Hele werkwoord (HWW)

c)

Voltooid deelwoord (VD)

14.

Wat voor werkwoordsvorm heeft het werkwoord fietsen in deze zin:

Door iedere ochtend naar school te fietsen blijf ik fit.

a)

Persoonsvorm (PV)

b)

Hele werkwoord (HWW)

c)

Voltooid deelwoord (VD)

15.

Schrijf de persoonsvorm uit deze zin in de verleden tijd:

Fatima heeft een gebroken been.

(a)  

16.

Schrijf de persoonsvorm uit deze zin in de verleden tijd:

Mijn ouders (verrassen) mijn zusje voor haar verjaardag

(a)  

17.

Kun je voor een zelfstandig naamwoord altijd een lidwoord (de, het en een) zetten?

a)

ja

b)

nee

c)

soms wel en soms niet

18.

Welke woord(en) uit dit rijtje zijn zelfstandig naamwoorden?

vandaag - Utrecht - deur

a)

vandaag - Utrecht

b)

Utrecht - deur

c)

Utrecht

19.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

De deur

b)

Het deur

20.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het huis

b)

De huis

21.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het boek

b)

De boek

22.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het bureau

b)

De bureau

23.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het bord

b)

De bord

24.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het stoel

b)

De stoel

25.

In welke zin wordt het lidwoord goed gebruikt?

a)

Het raam

b)

De raam

26.

Zet het werkwoord blazen in de verleden tijd:

Hij (a)   (blazen)