Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bijwoorden

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


De auto rijdt hard.

a)

De auto

b)

rijdt

c)

hard

d)

rijdt hard

2.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Er liggen erg zieke mensen in een ziekenhuis.

a)

liggen

b)

erg

c)

zieke

d)

mensen

3.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Ik zag een heel klein vogeltje.

a)

zag

b)

heel

c)

klein

d)

vogeltje

4.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


De verschrikkelijk dikke kater loopt langzaam.

a)

verschrikkelijk

b)

dikke

c)

langzaam

d)

verschrikkelijk, langzaam

5.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Je kunt goed schrijven met een dure pen.

a)

kunt

b)

goed

c)

dure

d)

pen

6.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Mijn broer kan prachtig schilderen.

a)

mijn broer

b)

kan

c)

prachtig

d)

schilderen

7.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Binnenkort gaat zijn zus naar Engeland emigreren.

a)

Binnenkort

b)

zijn zus

c)

Engeland

d)

emigreren

8.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Jullie hebben het proefwerk slecht voorbereid.

a)

Jullie

b)

hebben

c)

het proefwerk

d)

slecht

9.

Eline kan goed pianospelen.

a)

kan

b)

goed

c)

pianospelen

d)

goed pianospelen

10.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


De man heeft erg hoge schulden.

a)

De man

b)

heeft

c)

erg

d)

hoge

11.

Wat is het bijwoord in onderstaande zin?


Hij heeft de muur slordig geverfd.

a)

slordig

b)

geverfd

c)

heeft

d)

de muur

12.

Wat is het bijwoord/ zijn de bijwoorden in onderstaande zin?


Waar wil je vanavond eten?

a)

waar

b)

vanavond

c)

waar, vanavond

d)

eten

13.

Wat is het bijwoord in de zin:

De taart is erg lekker.

a)

Lekker

b)

taart

c)

erg

d)

is

14.

Wat is het bijwoord in de zin:

Ik heb je telefoon nergens gezien.

a)

je

b)

nergens

c)

telefoon

d)

gezien

15.

Wat is het bijwoord in de zin:

Pokémons vangen vindt hij een erg leuk spel.

a)

erg

b)

leuk

c)

spel

d)

hij

16.

Wat is het bijwoord in de zin:

Mark Rutte vertelde rustig dat er een avondklok kwam.

a)

avondklok

b)

dat

c)

er

d)

rustig

17.

'Vruchteloos probeerden wij de opdracht te maken.' Is het woord 'vruchteloos' een:

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

bepaling

d)

voornaamwoord

18.

Benoem het bijwoord: 'Ik vind dat een heel rare uitleg'.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

19.

Benoem het bijwoord: 'We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.'

a)

verschrikkelijk

b)

mooie

c)

zagen

d)

vuurwerk

20.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

'Het gouden horloge van Stephan is gestolen.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

21.

Waar of niet waar? Een bijvoeglijk naamwoord kan je verbuigen, een bijwoord niet.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Wat is de functie van het onderstreepte woord?

Kato heeft het versleten, blauwe jasje eindelijk weggegooid.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

vragend voornaamwoord

23.

Er kunnen twee bijwoorden in één zin staan

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Hoeveel voorzetsels tel je in de volgende zin?

De man is blij met zijn overwinning en loopt het podium op.

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

25.

Een bijwoord kan iets zeggen over een ander bijwoord.

a)

Juist

b)

Onjuist