Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen hoofdstuk 1, 3, 4 en 5 (BB en KB)

Total questions: 49

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Bij welk orgaanstelsel hoort: de dijspier

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Spierstelsel

2.

Bij welk orgaanstelsel hoort: het ruggenmerg

a)

Ademhalingsstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Spierstelsel

3.

Bij welk orgaanstelsel hoort: Lever

a)

Verteringsstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

4.

Bij welk orgaanstelsel hoort: de longen

a)

Verteringsstelsel

b)

Bloedvatenstelsel

c)

Beenderstelsel

d)

Ademhalingsstelsel

5.

Wat is het kleinste onderdeel van het lichaam

a)

Weefsel

b)

Orgaanstelsel

c)

Cel

d)

Orgaan

e)

Organisme

6.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 4?

a)

Lever

b)

Maag

c)

Long

d)

Hart

7.

Wat wordt er aan gegeven met nummer 3?

a)

Nier

b)

Maag

c)

Long

d)

Hart

8.

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie beschrijft...

a)

een cel

b)

een orgaan

c)

een orgaanstelsel

d)

een weefsel

9.

Wat wordt aangegeven met nummer 8?

a)

Celmembraan

b)

Cytoplasma

c)

Vacuole

d)

Celkern

10.

Cel nummer A is de

a)

Plantencel

b)

Dierlijke cel

11.

Je kijkt door een microscoop en ziet bladgroenkorrels. Kan je dan bepalen naar wat voor cel je kijkt?

a)

Ja een plantencel

b)

Ja een dierlijke cel

c)

Nee dat kan niet, want je hebt de andere celonderdelen nog niet gezien.

12.

Wat wordt er vanuit het inwendig milieu opgeslagen in het onderhuids bindweefsel?

a)

vet

b)

glycogeen

c)

gal

d)

water

13.

Hoe heet onderdeel 3?

(a)  

14.

De huid bestaat uit drie verschillende lagen. Hoe heten deze lagen?

a)

De opperhuid, de hoornlaag en de kiemlaag

b)

De opperhuid, de lederhuid en de kiemlaag

c)

De opperhuid, de lederhuid en het onderhuids vetweefsel

d)

De opperhuid de hoornlaag en het onderhuids vetweefsel

15.

Wat is de functie van zweet?

a)

Het afkoelen van je lichaam door verdamping.

b)

Het opwarmen van je lichaam door verdamping.

c)

Het afkoelen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

d)

Het opwarmen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

16.

Een vaccin bevat dode of verzwakte ziekteverwekkers

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Door een vaccin word je net zo ziek als door de echte ziekte

a)

Waar, je lichaam reageert hetzelfde als op de echte ziekte

b)

Niet waar, je wordt minder ziek

18.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
19.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

20.

Een dier heeft de volgende kenmerken:

– Hij haalt adem via kieuwen.

– Hij heeft een huid bedekt met schubben en slijm.

– Hij legt eieren zonder schaal.

Wat voor dier is dit?

a)

een amfibie

b)

een reptiel

c)

een vis

d)

een vogel

21.
De gekleurde delen van de afbeelding
a)
vormen het CZS
b)
zijn lichaamszenuwen
c)
zijn zintuigen
d)
zijn hormoonklieren
22.
De letter P geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
23.
De letter S geeft aan:
a)
grote hersenen
b)
kleine hersenen
c)
hersenstam
d)
ruggenmerg
24.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
25.
Welke kleur heeft het slakkenhuis in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
26.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
27.
Bij welke letter gaan er impulsen naar de spieren van haar arm?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
28.
Is dit een prikkel of een impuls?
a)
prikkel
b)
impuls
29.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
30.
Het deel dat nummer 2 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
31.
Nummer 13 is
a)
het hoornvlies
b)
het netvlies
c)
de gele vlek
d)
de ooglens
32.
Nummer 3 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
33.
"dit deel zorgt dat er een scherp beeld op het netvlies komt" hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
34.
Dit skelet hoort bij een: 
a)
teenganger
b)
zoolganger
c)
hoefganger
35.
Deze kiezen horen bij een:
a)
vleeseter
b)
planteneter
c)
alleseter
36.
Deze kiezen noemen we:
a)
knipkiezen
b)
plooikiezen
c)
knobbelkiezen
37.
Deze kiezen noemen we:
a)
knipkiezen
b)
plooikiezen
c)
knobbelkiezen
38.
Deze vogel eet:
a)
vlees
b)
planten uit het water
c)
beestjes uit de bodem
d)
insecten
39.
De vogelpoot nummer 2 hoort bij 
a)
een roofvogel
b)
een zwemvogel
c)
een waadvogel
d)
een vogel op een tak
40.

Welke voedselrelatie zie je hier?

a)

Voedselketen

b)

Voedselweb

c)

Voedselpiramide

d)

Voedselkringloop

41.

Welke voedselrelatie zie je hier?

a)

Voedselketen

b)

Voedselweb

c)

Voedselpiramide

d)

Voedselkringloop

42.

Waarmee begint een voedselrelatie altijd?

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

43.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

44.

Dit is een...

a)

Producent

b)

Consument

c)

Reducent

d)

Opruimer

45.

Geef het juiste begrip:


planteneter

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

producent

46.

Geef het juiste begrip:


alleseter

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

producent

47.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

48.

Wat zijn biotische factoren?

a)

Levende factoren

b)

Niet levende factoren

49.

Bij fotosynthese is er energie nodig (zonlicht) en bij verbranding komt er energie vrij

a)

Waar

b)

Niet waar