wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid basis

Total questions: 170

Worksheet time: 1hrs 26mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

2.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde genotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

3.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

4.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

5.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

6.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

7.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

8.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

9.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

11.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

12.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

13.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

15.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

16.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
17.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
18.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
19.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
20.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

21.
Een eeneiige tweeling is niet identiek.
a)
waar
b)
niet waar
22.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

23.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

24.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

25.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

26.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

27.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

28.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
29.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

30.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

31.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

32.
Veel mensen worden in een bepaalde fase van hun leven dikker. Sommigen komen dan veel aan, anderen maar weinig.
Is het, rekening houdend met het onderzoek, waarschijnlijk dat dit verschil in gewichtstoename bij verschillende mensen alleen wordt veroorzaakt door milieufactoren, alleen door het genotype of door beide?
a)
door milieufactoren
b)
door het genotype
c)
door beide (hierboven genoemde)
33.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
34.
In de afbeelding zie je schematisch hoe twee zaadcellen en twee eicellen ontstaan. De zaadcellen zijn via reductiedeling ontstaan uit dezelfde moedercel. De zaadcellen hebben waarschijnlijk ..... hetzelfde genotype.
a)
wel
b)
niet
35.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
36.
Een buldog en een terriër werden gekruist. De fokkers kozen uit de nakomelingen alleen hondjes met bepaalde eigenschappen. Met die hondjes werd verder gefokt. Zo ontstond een nieuw ras: de Staffordshire bulterriër (zie de afbeelding).
Hoe wordt het genoemd als alleen dieren met bepaalde eigenschappen worden gebruikt om ermee te fokken?
a)
Kunstmatige selectie
b)
Veredeling
c)
Ongeslachtelijke voortplanting
d)
Perfectioneren
37.
Je ziet in de afbeelding een tomatenplant met enkele tomaten. In de tomaten zitten zaden. Uit de zaden kunnen zich nieuwe planten ontwikkelen.
Wat is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
38.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
39.
Bij welk type voortplanting hebben de nakomelingen altijd hetzelfde genotype als de oudergeneratie?
a)
Bij geslachtelijke voortplanting.
b)
Bij ongeslachtelijke voortplanting.
40.
De fuut is een watervogel die bijzonder balts- en paringsgedrag laat zien. Mannetjes maken indruk op de vrouwtjes. Vrouwtjes zijn erg kieskeurig. Wat is een nadeel van deze vorm van geslachtelijk voortplanten?
a)
Nakomelingen zijn anders dan de ouders
b)
Erg is een grote variatie
c)
Dieren kunnen nauwelijks aanpassen aan ziekten
d)
Partnerkeuze kost tijd
41.
Goed groeiende stukjes van de plant, vaak zogenaamde groeipunten, worden in watjes gelegd. De bedoeling is dat er nieuwe planten uit groeien. Over welke vorm van ongeslachtelijke voortplanting hebben we het hier?
a)
Stekken
b)
Weefselkweek
c)
Uitloperkweek
d)
Veredeling
42.
De komodovaraan (foto) komt op enkele kleine eilandjes bij Indonesië voor. De komodovaraan plant zich partenogenetisch voort. Dat wil zeggen: eieren hoeven niet bevrucht te worden, de dieren zijn man en vrouw tegelijk. De toekan is een grote vogel en leeft ook in dergelijke gebieden, hierbij zijn er wel mannen en vrouwen. Door klimaatverandering daalt de temperatuur 4 graden. Welke soort past zich het beste aan?
a)
Toekan
b)
Komodovaraan
c)
Geen van beide
d)
Beide
43.

In de afbeelding hieronder is de stamboom van een familie gegeven waarin de ziekte agammaglobulinemie voorkomt. Lijders aan deze erfelijke ziekte zijn verhoogd vatbaar voor infecties. Het gen dat deze ziekte veroorzaakt is .....

a)

dominant

b)

recessief

c)

Niet af te lijden

44.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee

45.

Een nucleotide is opgebouwd uit:

a)

een stikstofbas

b)

een base, een fosfaat en een suiker

c)

twee basen, twee fosfaten en twee suikers

d)

basen

46.

Een merel (Bb) heeft een wit vlekje op zijn vleugel. Deze merel krijgt jongen met een vrouwtje (bb) zonder witte vlek. Hoe groot is de kans dat het eerste kuiken wat geboren wordt een wit vlekje op zijn veren heeft?

a)

25%

b)

50%

c)

75%

d)

100%

47.

Bij een kikker bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 13 chromosomen.


Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

48.

Welke bewering is juist?

a)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype plus de invloed van het milieu

b)

het fenotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het genotype zonder de invloed van het milieu

c)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype zonder de invloed van het milieu

d)

het genotype is de som van de zichtbare eigenschappen van het fenotype plus de invloed van het milieu

49.

Twee uitspraken:


Menno zegt: De celkern van een levercel bevat de complete informatie voor al je erfelijke eigenschappen.

Annie zegt: Een gen bevat de informatie voor meerdere erfelijke eigenschappen'


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Menno heeft gelijk

c)

Annie heeft gelijk

d)

Geen van beide heeft gelijk

50.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

man

b)

vrouw

51.

Zet in de juiste volgorde van klein naar groot

a)

DNA - gen - chromsoom - cel

b)

gen - DNA - chromosoom - cel

c)

gen - chromosoom - DNA - cel

d)

cel - chromosoom - DNA - gen

52.

Een jongen heeft bloedgroep 0, zijn moeder heeft bloedgroep A en zijn vader heeft

bloedgroep B. De ouders hebben ook nog een dochter. Wat is de kans dat de broer en de zuster dezelfde bloedgroep hebben?

a)

1/16

b)

1/8

c)

1/4

d)

1/2

53.
Hoeveel cellen zijn ontstaan als de meiose voltooid is? Hebben die cellen onderling gelijk of verschillend erfelijk materiaal?
a)
Er zijn twee cellen ontstaan, ze hebben gelijk erfelijk materiaal.
b)
Er zijn twee cellen ontstaan, ze hebben verschillend erfelijk materiaal.
c)
Er zijn vier cellen ontstaan, ze hebben gelijk erfelijk materiaal.
d)
Er zijn vier cellen ontstaan, ze hebben twee aan twee gelijk erfelijk materiaal.
54.
a)

Dit is mitose

b)

Dit is meiose

55.

Kan elke cel in het lichaam de meiose doen?

a)

ja

b)

nee

56.

De zijkanten van DNA zijn gemaakt van

a)

Fosfaat en deoxyribose

b)

Deoxyribose en stikstofbasen

c)

Stikstofbasen en fosfaat

d)

Deoxyribose en stikstofbasen

57.

Wat is DNA?

a)

Een draadje in je cel

b)

De stof waar chromosomen van zijn gemaakt

c)

Een erfelijke eigenschap

d)

Celvloeistof

58.

Wat is een chromosoom

a)

Een erfelijke eigenschap

b)

Een draad in de cel met veel erfelijke eigenschappen

c)

Een gen

d)

Een stofje in de genen

59.

Hoeveel chromosomen zitten er in je cel van je vinger?

a)

4

b)

22

c)

36

d)

46

60.

Hoeveel paar chromosomen zitten er in een cel van je neus?

a)

2

b)

8

c)

23

d)

46

61.

Hoeveel chromosomen zitten er in je zaadcellen of eicellen?

a)

23

b)

16

c)

8

d)

46

62.

Wat is het fenotype?

a)

Hoe je cellen werken

b)

Wat er op je genen staat

c)

Hoe je er uit ziet

d)

Hoeveel chromosomen je hebt

63.

Is een genotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

64.

Is een fenotype te veranderen?

a)

ja

b)

nee

65.

Liz en Elise zijn identieke tweelingen. Zijn hun genotypen gelijk?

a)

ja

b)

nee

66.

Hoeveel chromosomen heeft een niercel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

11.5

67.

Hoeveel chromosomen heeft de kern van een eicel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

11.5

68.

Liz en Elise zijn identieke tweelingen. Is hun fenotype gelijk? (in een normale situatie)

a)

ja

b)

nee

69.

Maarten en Kim zijn niet-identieke tweelingen. Zijn hun fenotypen gelijk? (in normale situatie)

a)

ja

b)

nee

70.

Wat bepaalt het geslacht van een baby?

a)

de geslachtschromosoom in de spermacel

b)

de geslachtschromosoom in de eicel

71.

Is elke gen van een genotype in het fenotype altijd zichtbaar?

a)

Ja, alle genen geven het fenotype

b)

Ja, maar over het algemeen bepaalt het dominante gen het fenotype

c)

Ja, maar over het algemeen bepaalt recessieve gen het fenotype

72.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

73.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

74.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

75.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor beter ontwikkeld. Is het genotype van John veranderd?

a)

Ja

b)

Nee

76.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

77.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

78.

Een bioloog bepaald het aantal chromosomen van een cel onder de microscoop. Zij telt er 21. Welke conclusie kun je nu trekken?

a)

Dit is een geslachtscel

b)

Dit is een lichaamscel

c)

Dit kan een lichaamscel of een geslachtscel zijn

79.
De Indische wandelende tak (zie de afbeelding) is een insect dat je als huisdier kunt houden. Een volwassen vrouwtje leeft enkele maanden en legt elke dag twee of drie eieren. De eieren hoeven niet te worden bevrucht. Uit elk eitje ontwikkelt zich een vrouwtje dat precies op de moeder lijkt.
Van welke vorm van voortplanting is hier sprake?
a)
Geslachtelijke voortplanting
b)
Ongeslachtelijke voortplanting
80.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

81.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

82.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

83.
Beantwoord de volgende vragen met behulp van deze gegevens:
een bladcel van een erwtenplant bevat 14 chromosomen;
een pootcel van een kater bevat 38 chromosomen;
een niercel van een mens bevat 46 chromosomen.
Hoeveel chromosomen bevat een staartcel van een kater?
a)
14
b)
38
c)
72
d)
46
84.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

85.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

86.

Wat is het genoom?

a)

De erfelijke code van organismen

b)

De erfelijke code van de mens

c)

De combinatie van genotype met invloeden uit het milieu

d)

Zichtbare eigenschappen

87.
Hoeveel autosomen zitten in een gewone cel?
a)
44
b)
46
c)
2
88.

Welke bewering is juist?

a)

Genotype is bepalend voor een fenotype.

b)

Een fenotype is afhankelijk van omgevingsfactoren en het genotype

c)

Een genotype is afhankelijk van omgevingsfactoren en het fenotype

89.

Het fenotype kan veranderen naarmate je ouder wordt.

a)

waar

b)

niet waar

90.

Wanneer de eigenschap voor bruine ogen dominant is en een persoon heeft bruine ogen dan is hij/zij waarschijnlijk .... voor deze eigenschap

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

c)

Homozygoot en heterozygoot zijn beide mogelijk

91.

Kleurenblindheid is een X-chromosomale eigenschap. Een moeder is kleurenblind en vader is kleurenziend. Hoe groot is de kans dat hun zoon kleurenblind is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

92.

Is de eigenschap ruw haar dominant of recessief? En kan deze X-chromosomaal zijn?

a)

Dominant, X-chromosomaal

b)

Dominant, niet-X-chromosomaal

c)

recessief, X-chromosomaal

d)

recessief, niet-X-chromosomaal

93.

Bij katten is een zwarte vacht dominant over een witte vacht. Een zwarte kat en een witte poes krijgen jongen, de F1. Een zwarte kat en een zwarte poes uit de F1 krijgen ook een kitten. Hoe groot is de kans dat deze wit is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

Dat kun je niet weten

94.

Twee mensen krijgen samen een kind. Ze hebben beide bloedgroep A en van beide mensen is bekend dat hun ouders beide bloedgroep AB hadden. Hoe groot is de kans dat hun kind bloedgroep A heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

75%

d)

100%

95.

ik heb 3 jongen puppies waarvan er 2 lange haren hebben en 1 korte haren. Kan ik hieruit afleiden welke allel dominant is?

a)

Ja, namelijk de lange haren

b)

Ja, namelijk de korte haren

c)

Nee, dit wordt niet bepaald door allelen

d)

Nee, dit zijn te weinig puppies om dat te zeggen

96.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
97.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

98.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

99.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

100.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

101.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

102.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

103.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

104.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
105.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

106.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

107.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

108.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
109.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

110.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

111.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

112.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

113.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

114.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

115.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

116.

Wanneer ligt het fenotype van een iemand vast?

a)

Bij de vorming van de eicel

b)

Bij de bevruchting

c)

Bij de geboorte

d)

Nooit

117.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

118.

Een kat heeft in een lichaamcel 38 chromosomen. Hoeveel zitten er dan is een geslachtscel?

a)

38

b)

19

c)

18

d)

76

119.

Een bioloog bepaald het aantal chromosomen van een cel onder de microscoop. Zij telt er 21. Welke conclusie kun je nu trekken?

a)

Dit is een geslachtscel

b)

Dit is een lichaamscel

c)

Dit kan een lichaamscel of een geslachtscel zijn

120.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

121.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

122.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

123.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

124.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

125.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

126.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
127.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

128.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

129.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
130.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

131.

Vachtkleur, oogkleur, groene bladeren en sproeten zijn voorbeelden van

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Milieu

132.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

133.

Een gemiddelde lichaamscel van een mens bevat ... chromosomen

a)

23

b)

46

c)

47

d)

2

134.

Bij erfelijkheidsvraagstukken worden de ouders weergegeven met

a)

F1

b)

P

c)

F2

135.

Wanneer de vader het genotype Bb en de moeder het genotype BB bevat geef je dat als volgt weer

a)
b)
c)
d)
136.

Een heterozygote vrouw met bruin haar krijgt kinderen met een man met blond haar. Blond haar is recessief. Hoe groot is de kans dat zij kinderen krijgen met het genotype voor blond haar.

a)

Blond:bruin=1:1

b)

Aa:aa=1:1

c)

aa= 50%

d)

Blond=50%

137.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

138.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

139.

Een kip met witte veren wordt gekruist met een haan met zwarte veren. De grijze nakomelingen in de F1 worden onderling gekruist.

Welke fenotypen komen voor in de F2?

a)

uitsluitend grijze nakomelingen

b)

uitsluitend zwarte nakomelingen

c)

uitsluitend witte nakomelingen

d)

zwarte, witte en grijze nakomelingen

140.

Van een bepaald diersoort wordt een zwart dier gekruist met een wit dier. Alle nakomelingen zijn zwart. Deze F1-dieren planten zich onderling voort. Van de 109 F2-dieren zijn er 84 zwart en 25 wit.

Hoeveel van de 84 zwarte F2-dieren zijn heterozygoot?

a)

Alle 84

b)

ongeveer 56

c)

ongeveer 42

d)

ongeveer 28

141.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
142.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee

143.

Bij kippen is het allel voor een erwtenkam (E) dominant over dat voor een enkelvoudige kam (e); het allel voor gevederde poten (G) is dominant over dat voor kale poten (g). Een hen met een erwtenkam en gevederde poten wordt gekruist met een haan met een enkelvoudige kam en kale poten. Onder de directe nakomelingen bevinden zich vier verschillende fenotypen. Wat was het genotype van de hen?

a)

EEGG

b)

EEGg

c)

EeGG

d)

EeGg

144.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
145.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
146.
In de afbeelding zie je schematisch hoe twee zaadcellen en twee eicellen ontstaan. De zaadcellen zijn via reductiedeling ontstaan uit dezelfde moedercel. De zaadcellen hebben waarschijnlijk ..... hetzelfde genotype.
a)
wel
b)
niet
147.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype AA heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

148.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

149.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

mannetje hh x vrouwtje HH

b)

mannetje HH x vrouwtje hh

c)

Hh x Hh

150.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Welk fenotype hebben de nakomelingen in de F1?

a)

Wit

b)

Zwart

c)

Grijs

151.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

152.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

153.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

154.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
155.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

156.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

157.

Hoe geven bij een kruising de ouders aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

158.

Hoe geven bij een kruising de eerste generatie nakomelingen aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

159.

Bij labradors is het gen voor een zwarte vacht (A) dominant over het gen voor een gele vacht (a). Een zwartharig vrouwtje dat homozygoot voor de vachtkleur is, paart een aantal keren met een geelharig mannetje. De dieren in de F1 planten zich ook weer voort.


Het fenotype van de labradors in de F1 is?

a)

Zwart

b)

Geel

c)

Grijs

160.

Bij labradors is het gen voor een zwarte vacht (A) dominant over het gen voor een gele vacht (a). Een zwartharig vrouwtje dat homozygoot voor de vachtkleur is, paart een aantal keren met een geelharig mannetje. De dieren in de F1 planten zich ook weer voort.


Het genotype van de labradors in de F1 is?

a)

AA

b)

aa

c)

Aa

161.

Twee ouders (AA x aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe wordt onderlinge voortplanting van dieren in de F1 weergegeven?

a)

AA x aa

b)

AA x Aa

c)

Aa x Aa

d)

Aa x aa

e)

aa x aa

162.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype AA heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

163.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

164.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 een heterozygoot genotype heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

165.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

mannetje hh x vrouwtje HH

b)

mannetje HH x vrouwtje hh

c)

Hh x Hh

166.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Welk genotype hebben de nakomelingen van deze ouders?

a)

HH

b)

hh

c)

Hh

167.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Welk fenotype hebben de nakomelingen in de F1?

a)

Wit

b)

Zwart

c)

Grijs

168.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje. De nakomelingen van deze muizen worden gekruist waardoor een F2 ontstaat.


Hoeveel procent van de nakomelingen in de F2 is homozygoot recessief?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

169.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje. De nakomelingen van deze muizen worden gekruist waardoor een F2 ontstaat.


Hoeveel procent van de nakomelingen in de F2 is homozygoot dominant?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

170.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje. De nakomelingen van deze muizen worden gekruist waardoor een F2 ontstaat.


Hoeveel procent van de nakomelingen in de F2 is heterozygoot?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%