wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Afweer les 1 (nulmeting)

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de onderstaande onderdelen horen bij het verworven (specifieke) afweersysteem?

a)

B-lymfocyten

b)

Huid

c)

Maagzuur

d)

Slijmvliezen

2.

Welke witte bloedcel is in staat tot aangeboren (aspecifieke) afweer?

a)

B-lymfocyt

b)

T-lymfocyt

c)

Macrofaag

d)

Erythrocyt

3.

Welk type cel is verantwoordelijk voor de productie van antistoffen?

a)

Antigeen presenterende cel

b)

B-lymfocyt

c)

T-lymfocyt

d)

Macrofaag

4.

T-lymfocyten maken antistoffen.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wat is GEEN lymfoïde orgaan?

a)

Beenmerg

b)

Lymfeknopen

c)

Nier

d)

Thymus

6.

Antigenen worden geproduceerd door B-lymfocyten.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

In welke orgaan rijpen de B-lymfocyten?

a)

Beenmerg

b)

Thymus

c)

Schildklier

d)

Lymfeknopen

8.

Bij welke vorm van afweer horen de macrofagen?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/specifieke afweer

9.

Bij welke vorm van afweer hoort de antigeen presenterende cel (APC)?

a)

Aangeboren afweer/ aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

10.


Snelle, eerste vorm van afweer. Gericht tegen veel verschillende soorten ziekteverwekkers.
Welke vorm van afweer is hier beschreven?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

11.

Waaraan herkennen witte bloedcellen de binnen gedrongen ziekteverwekker?

a)

Antistof

b)

Antigeen

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

12.

Welke witte bloedcellen kunnen fagocyteren?

a)

Bloedplaatjes

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofagen

13.

Welke witte bloedcellen kunnen geïnfecteerde cellen lek schieten/doden?

a)

APC

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofaag

14.

Welk onderdeel van een b-lymfocyt/t-lymfocyt kan het antigeen aflezen?

a)

Antistof

b)

Antillichaam

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

15.

T-geheugencellen kunnen meerdere ziekteverwekkers herkennen.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Door welke bloedcel verloopt een afweerreactie sneller bij infectie met dezelfde ziekteverwekker?

a)

Macrofaag

b)

Leukocyt

c)

Lymfocyten

d)

Geheugencellen

17.

Wat is een belangrijke functie van T-lymfocyten in de immuunrespons?

a)

Ze doden geïnfecteerde lichaamscellen.

b)

Ze produceren antistoffen.

c)

Ze fagocyteren pathogenen.


d)

Ze reguleren de immuunreactie.

18.

Wat doen B-lymfocyten in de afweerreactie?

a)

Ze produceren antistoffen die helpen bij het bestrijden van infecties.

b)

Ze fagocyteren pathogenen en dode cellen.

c)

Ze produceren chemicaliën om ontstekingen te verminderen.

d)

Ze doden geïnfecteerde cellen.

19.

Lisa heeft nog nooit corona gehad. Door de activiteit van welke cellen zal zij bij een besmetting van corona kunnen genezen?

a)

Alleen de B-lymfocyten

b)

Alleen T-lymfocyten

c)

B-lymfocyten & T-lymfocyten

d)

B-Lymfocyten, T-lymfocyten & geheugencellen

20.

Als een ziekteverwekker het lichaam van een mens voor het eerst is binnengedrongen, wordt hij vrijwel direct aangevallen door witte bloedcellen.

      Om welke witte bloedcellen gaat het dan?

a)

B-cellen

b)

Geheugencellen

c)

Macrofagen

d)

T-cellen

21.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

22.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

23.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

24.

Het woord 'macrofaag' betekent:

a)

pathogene bacterie

b)

kleine eter

c)

grote eter

d)

een grote winkelketen

25.

Onder invloed van welk orgaan ontwikkelen de T-lymfocyten zich?

a)

De thymus

b)

De milt

c)

Het beenmerg

d)

De lymfeklieren