wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3B, T3 ordening

Total questions: 39

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Kijk goed naar de afbeelding. Je ziet hier een celdeling van een bacterie. Deze bacterie deelt zich elke 20 minuten. Hoeveel bacteriën zijn er na 2 uur als 1 bacterie zich op deze manier steeds delen kan?

a)

8

b)

16

c)

32

d)

64

2.

Je ziet hier cellen. Kunnen deze cellen fotosynthese doen?

a)

ja

b)

nee

3.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

4.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan fotosynthese doen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

5.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel is cel nummer 4?

a)

bacterie

b)

schimmel

c)

plant

d)

dier

6.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

7.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

8.

In de afbeelding zie je een organisme. Welke uitspraken kloppen?

a)

Deze schimmel is meercellig.

b)

Deze schimmel plant zich voor door middel van sporen.

c)

Deze schimmel is eencellig.

d)

Dit is geen schimmel.

9.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

10.

Bij de bereiding van brood worden schimmels gebruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

12.

Een kwal is veelzijdig symmetrisch

a)

Juist

b)

Onjuist

13.

Dieren hebben celwanden om de cellen

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit dier?

a)

Neteldieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Weekdieren

15.

Tot welke groep van de planten behoort de ereprijs?

a)

Sporeplanten

b)

Zaadplanten

c)

Mossen

d)

Varens

16.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

17.

Deze afbeelding is

a)

niet-symmetrisch

b)

veelzijdig symmetrisch

c)

tweezijdig symmetrisch

18.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

19.

Welke cel zie je hier?

a)

Schimmel

b)

Bacterie

c)

Dier

d)

Plant

20.

Welk orgaan heeft deze taak:

Hier maakt een plant voedingsstoffen, dat heet fotosynthese.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

21.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

22.

Organismen behoren tot een soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

a)

waar

b)

niet waar

23.

Biologen delen organismen in vier groepen (rijken) in. Bacteriën, planten en dieren zijn er al 3. Welke groep ontbreekt?

(a)  

24.

Een groep bacteriën bij elkaar wordt ook wel (a)   genoemd

25.

Organismen horen bij dezelfde soort wanneer ...

a)

Ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

b)

Ze samen nakomelingen kunnen krijgen

c)

Ze allebei vruchtbaar zijn en nakomelingen kunnen krijgen

d)

Ze samen nakomelingen krijgen die op hun lijken

26.

Wat doen reducenten?

a)

Ze eten vooral yoghurt en zuurkool

b)

Ze ruimen dode resten van organismen op

c)

Ze proberen levende organisme te verteren

d)

Ze zorgen er voor dat planten groeien

27.

Schimmels zijn altijd meercellig

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Waar wordt penicilline voor gebruikt?

a)

Voor voedsel

b)

Voor voortplanting

c)

Voor antibioticum

d)

Voor uitscheiding

29.

Wat voor soort skelet heeft een mossel?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

geen skelet

30.

Wat voor soort skelet heeft een kever?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

31.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Geleedpotigen

b)

Stekelhuidigen

c)

Gewervelden

d)

Sponzen

32.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

Gewervelden

b)

Weekdieren

c)

Eencelligen

d)

Stekelhuidigen

33.

Bij welke afdeling hoort dit dier?

a)

geleedpotigen

b)

gewervelden

c)

weekdieren

d)

holtedieren

34.

Hoeveel poten hebben kreeftachtige dieren?

a)

1000

b)

10

c)

8

d)

6

35.

Wanneer zijn dieren gewervelde dieren?

a)

Als ze een ruggengraat hebben

b)

Als ze een staart hebben

c)

Als ze tanden en tenen hebben

d)

Als ze wervelwinden kunnen overleven

36.

Welke kenmerken horen bij zoogdieren?

a)

Warmbloedig, levendbarend, leven altijd in zee

b)

Levendbarend, leven altijd op land

c)

Warmbloedig, halen adem met de huid

d)

Levendbarend, halen adem met longen

37.

Welke kenmerken horen bij reptielen?

a)

Eieren met een kalkschaal, ademen met de longen

b)

Eieren zonder schaal, ademen met de longen

c)

Eieren met leerachtige schaal, ademen met longen én huid

d)

Huidbedekking zijn droge schubben, eieren met leerachtige schaal

38.
Welke drie afdelingen ken je binnen het rijk van de planten?
a)
Wieren, naaktzadigen en sporenplanten
b)
Wieren, sporenplanten en zaadplanten
c)
Wieren, paardenstaarten en zaadplanten
d)
Varens, blaaswieren en zaadplanten
39.

De plant van de afbeelding hebben geen bloemen. Wel hebben wortels, stengels en bladeren. Bij welke groep hoort deze plant?

a)

Wieren

b)

Sporenplanten

c)

Zaadplanten

d)

Algen