Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3e klas herhaling thema 1 en thema 2

Total questions: 40

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Een hond hijgt wanneer het warm is. Hij raakt daardoor warmte kwijt. Welke levenskenmerk hoort hierbij?

a)

Voortplanten

b)

Uitscheiden

c)

Reageren op prikkels

d)

Ademhalen

2.

Waar vindt binnen de cel de stofwisseling grotendeels plaats?

a)

In de kern

b)

In het cytoplasma

c)

In de vacuole

d)

In het celmembraan

3.

Welke structuur komt voor bij planten én dieren?

a)

Vacuole

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

d)

Celwand

4.

Wat is een orgaan?

a)

Een deel van een cel met een functie

b)

Een deel van een organisme met een taak

c)

Een groep organen met dezelfde taak

d)

Alle weefsels samen

5.

Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?

a)

Cel – weefsel – orgaan – orgaanstelsel - organisme

b)

Organisme - orgaanstelsel – orgaan – weefsel – cel

c)

Weefsel – cel – orgaan – orgaanstelsel - organisme

d)

Cel – orgaan - organisme – weefsel – orgaanstelsel

6.

Wanneer moet je de kleine instelschroef gebruiken?

a)

Alleen bij de kleinste vergroting

b)

Alleen bij de grootste vergroting

c)

Bij beide vergrotingen

d)

Alleen zonder lichtbron

7.

Hoeveel chromosomen bevat een huidcel van een mens?

a)

23

b)

24

c)

46

d)

92

8.

Welke uitspraak over chromosomen is juist?

a)

Ze zitten alleen in bloedcellen

b)

Ze bestaan uit DNA

c)

Ze zijn alleen aanwezig bij mannen

d)

Ze bepalen alleen uiterlijke kenmerken

9.

Mitose is belangrijk voor:

a)

Groei en vervanging van cellen

b)

Het maken van geslachtscellen

c)

Het maken van hormonen

d)

De bevruchting

10.

Hoe heet de celdeling waarbij geslachtscellen ontstaan?

a)

Mutatie

b)

Meiose

c)

Mitose

d)

Selectie

11.

Waar vindt bij mensen de bevruchting plaats?

a)

In de baarmoeder

b)

In de vagina

c)

In de eileider

d)

In de eierstok

12.

Wat is een taak van de placenta?

a)

Het vervoeren van zuurstof en voeding naar de baby

b)

Het maken van hormonen voor de moeder

c)

Het beschermen van de baby tegen stoten

d)

Het regelen van de hartslag van de baby

13.

Wat gebeurt tijdens de persweeën?

a)

De baby wordt naar buiten geduwd

b)

De navelstreng wordt doorgeknipt

c)

De placenta komt naar buiten

d)

De baarmoedermond wordt wijder

14.

Wat voorkomt het vruchtwater?

a)

Verstikking door navelstreng

b)

Beschadiging door schokken

c)

Overmatige groei van de placenta

d)

Vochtverlies door de huid

15.

Wat is een mogelijke reden dat iemand onvruchtbaar is?

a)

Een hoge bloeddruk

b)

Te weinig beweeglijke zaadcellen

c)

Een lage hartslag

d)

Een vergrote maag

16.

Welke tweeling ontstaat uit één bevruchte eicel?

a)

Twee-eiig

b)

Eeneiig

c)

Half-eiig

d)

Mito-tweeling

17.

Waarom komt hemofilie vaker voor bij mannen?

a)

Het gen ligt op het X-chromosoom

b)

Mannen hebben geen bloedplaatjes

c)

Het gen ligt op het Y-chromosoom

d)

Alleen vrouwen zijn drager

18.

Welke uitspraak is correct?

a)

Bij twee-eiige tweeling is het DNA altijd hetzelfde

b)

Bij eeneiige tweeling is het DNA bijna identiek

c)

Eeneiige tweelingen hebben nooit hetzelfde geslacht

d)

Twee-eiigen ontstaan uit één bevruchting

19.

Wat gebeurt er bij sterilisatie van een man?

a)

De zaadleiders worden onderbroken

b)

De urineleiders worden doorgeknipt

c)

De prostaat wordt verwijderd

d)

De teelballen worden kleiner

20.

Waarom gebruiken sommige transgender personen hormonen?

a)

Om de chromosomen te veranderen

b)

Om geslachtskenmerken aan te passen

c)

Om vruchtbaarheid te verminderen

d)

Om het geslacht van de foetus te bepalen

21.

Waar bevinden erfelijke kenmerken zich in de cel?

a)

In het celmembraan

b)

In het cytoplasma

c)

In de chromosomen

d)

In de ribosomen

22.

Wat is waar over secundaire geslachtskenmerken?

a)

Ze zijn bij de geboorte al aanwezig

b)

Ze ontstaan tijdens de puberteit

c)

Ze worden alleen door vrouwen ontwikkeld

d)

Ze hebben geen relatie met hormonen

23.

Wat is een voorbeeld van voortplanting bij planten?

a)

Zaadvorming

b)

Reageren op licht

c)

Celademhaling

d)

Wateropname

24.

Wat bevat een zaadcel wél?

a)

Veel reservevoedsel

b)

Een lange staart voor beweging

c)

Bladgroenkorrels

d)

Een celwand

25.

Welke functie heeft de navelstreng?

a)

Het maken van bloed

b)

Uitwisseling van stoffen tussen moeder en baby

c)

Het opvangen van stoten

d)

Het produceren van vruchtwater

26.

Hoe noem je de kleinste eenheid van leven waaruit organismen zijn opgebouwd?

(a)  

27.

Hoe heet de celdeling waarbij gewone lichaamscellen worden gevormd?

(a)  

28.

Hoe heet de celdeling waarbij geslachtscellen ontstaan?

(a)  

29.

Hoe heet het moment waarop een eicel rijp wordt en de eierstok verlaat?

(a)  

30.

Hoe noem je het chromosomenpaar dat het biologische geslacht bepaalt?

(a)  

31.

Hoe heet het erfelijke materiaal dat eigenschappen bepaalt?

(a)  

32.

Hoe heet de orgaanwand die voedingsstoffen en zuurstof doorgeeft aan de baby?

(a)  

33.

Hoe heet de verbinding tussen moeder en kind die zorgt voor uitwisseling van stoffen?

(a)  

34.

Hoe noem je een groep cellen met dezelfde vorm en functie?

(a)  

35.

Hoe heet het proces waarbij een zaadcel en eicel samensmelten?

(a)  

36.

Welk onderdeel zorgt ervoor dat een zaadcel kan bewegen?

a)

Kop

b)

Celkern

c)

Staart

d)

Hals

37.

Bij een vrouw vindt rijping van eicellen plaats in de…

a)

Baarmoeder

b)

Eileiders

c)

Eierstokken

d)

Vagina

38.

Een van de verschijnselen van levende organismen is uitscheiding. Wat is een voorbeeld van uitscheiding?

a)

Zweten

b)

Bewegen

c)

Voortplanten

d)

Ademhaling

39.

Wat is een organisme?

a)

Een groep cellen met dezelfde functie

b)

Een groep cellen met dezelfde functie

c)

Een levend wezen dat uit één of meer cellen bestaat

d)

Een deel van een orgaanstelsel dat een taak heeft

40.

Welk begrip hoort bij deze beschrijving: Het niveau waarop je levende wezens kunt beschrijven en onderzoeken, van klein (cel) naar groot (hele organismen). Elk niveau bestaat uit onderdelen die samenwerken.

(a)