wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Soorten Werkvormen en talenten

Total questions: 12

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Het inzetten van een metafoor is een voorbeeld van een docentgecentreerde werkvorm

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

In een groep samenwerken aan een casus valt onder de categorie discussievormen

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Formele insteek, de stelling is bekend en er is ruimte voor voorbereiding.

Dit zijn kenmerken van een...

a)

discussie

b)

debat

4.

Een goede stelling...

meerdere antwoorden mogelijk

a)

heeft een breed onderwerp

b)

is kort

c)

is zonder oordeel

d)

is positief geformuleerd

5.

Iemand die goed leert van video's en infographics scoort hoog op dit talent:

a)

Logisch-mathematisch

b)

Verbaal-linguistisch

c)

Naturalistisch

d)

Visueel-ruimtelijk

6.

Iemand die goed leert door te ordenen en analyseren scoort hoog op dit talent:

a)

Verbaal-linguïstisch

b)

Logisch-mathematisch

c)

Lichamelijk-kinesthetisch

d)

Intrapersoonlijk

7.

Iemand die leert door samen te werken en gevoelig is voor sfeer scoort hoog op dit talent:

a)

Interpersoonlijk

b)

Muzikaal-ritmisch

c)

Naturalistisch

d)

Intrapersoonlijk

8.

Welke werkvorm sluit het beste aan bij het verbaal-linguïstische talent?

a)

Energizer

b)

Practicum

c)

Debat

d)

Simulatiespel

9.

Welke werkvorm sluit het beste aan bij het muzikaal-ritmische talent?

a)

Een limerick maken

b)

Een film maken

c)

Een rollenspel uitvoeren

d)

Een mindmap maken

10.

Welke werkvorm sluit het beste aan bij het lichamelijk-kinesthetische talent?

a)

Stelling bedenken en erover discussiëren

b)

Processtappen op volgorde zetten

c)

Een moodboard maken

d)

Een rollenspel uitvoeren

11.

In een les / bijeenkomst waar drie verschillende talenten worden aangesproken zit voldoende variatie

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Bij het benutten van talenten zijn zowel aansluiten als uitdagen van belang. Wat wordt er versterkt bij uitdagen?

a)

De capaciteit van de deelnemer

b)

De leerbevorderende omstandigheden

c)

De motivatie van de deelnemer

d)

De relatie tussen deelnemer en docent