wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

stofwisseling 2

Total questions: 95

Worksheet time: 1hrs 12mins

Name
Class
Date
1.

Nummer 1 laat een celorganel zien. Welke?

a)

chloroplast

b)

endoplasmatisch reticulum

c)

thylakoid

d)

golgiapparaat

2.

nummer 2=

a)

binnenmembraan

b)

buitenmembraan

c)

thylakoïde ruimte

d)

Granum

3.

nummer 5=

a)

binnenmembraan

b)

buitenmembraan

c)

stroma

d)

Thylakoïderuimte

4.

nummer 7=

a)

binnenmembraan

b)

Thylakoïde

c)

stroma

d)

Thylakoïderuimte

5.

Welk enzym vertoont de grootste enzymactiviteit?

a)

X

b)

Y

c)

Z

6.

Vanaf welke temperatuur gaat enzym X denatureren?

a)

0 graden

b)

2 graden

c)

11 graden

d)

23 graden

e)

31 graden

7.

Welk enzym vertoont de grootste activiteit bij 40 graden?

a)

X

b)

Y

c)

Z

8.

Vanaf welke temperatuur zijn alle enzymen Y gedenatureerd?

a)

43 graden

b)

12 graden

c)

30 graden

d)

60 graden

9.

Boven de 32 graden vertoont enzym Y geen activiteit meer.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

De optimimumtemperatuur van enzym Z is 56 graden.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Enzym X, Y en Z kunnen werkzaam zijn in hetzelfde organisme.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Als chlorofylmoleculen voldoende lichtenergie absorberen, dan komen elektronen ...

a)

in de grondtoestand terecht

b)

van de grondtoestand in de aangeslagen toestand terecht

c)

van de aangeslagen toestand in de grondtoestand terecht

d)

in een lager energieniveau terecht

13.

In de lichtreacties worden de energierijke elektronen uiteindelijk overgedragen op

a)

NADP+

b)

NADPH

c)

ATP

d)

ADP

14.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Lichtreactie

b)

Calvincyclus (donkerreactie)

15.

Fosforylering betekent

a)

Binden van een fosfaatgroep aan ADP

b)

Het vrijkomen van een fosfaatgroep van ATP

16.

Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van de glucose- en zetmeelvorming in een plant?

a)

NADPH & ATP

b)

NADP & ADP

c)

H2O & CO2

17.

Welke processen doen zich voor tijdens de lichtafhankelijke reacties van de fotosynthese?

a)

Splitsing van H2O, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van O2, oxidatie van CO2

b)

oxidatie van H2O, reductie van NADP+, fosforylering van ADP, reductie van O2

c)

oxidatie van H20, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van glucose

d)

Splitsing van H2O, reductie van NADP+, synthese van ATP, vorming van O2

18.

Bij welke reactie wordt energie vastgelegd?

a)

ATP --> ADP + P

b)

ATP + P --> ADP

c)

ADP --> ATP + P

d)

ADP + P --> ATP

19.

Koolstofdioxide wordt tijdens het fotosyntheseproces gebruikt bij

a)

de Calvincyclus

b)

de fotolyse

c)

de reductie van NADP+

d)

de synthese van ATP

20.

Wat is de functie van NADPH en ATP?

a)

Ze absorberen licht

b)

Ze geven energie aan de lichtreactie

c)

Het zijn licht-reflecterende pigmenten

d)

Het zijn energie-overdragers

21.

Waar vinden de donkerreacties (Calvin cyclus) plaats?

a)

thylakoïd membraan

b)

lumen

c)

stroma

d)

grana

22.

Tijdens de lichtreacties stromen elektronen ...

a)

van chlorofyl naar H2O

b)

van O2 naar chlorofyl

c)

van H2O naar chlorofyl

d)

van fotosysteem I naar fotosysteem II

23.

In welk deel van de plant vindt fotosynthese plaats?

a)

De (groene) stengels

b)

De bloemen

c)

De wortels

d)

De zaden

24.

Welk onderdeel onderbreekt in de vergelijking?


..... + CO2 + licht = glucose + zuurstof

a)

Water

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

25.

Marlon zegt: Verbranding vindt plaats in elke cel van je lichaam.

Gerard zegt: In plantencellen vindt geen verbranding plaats


Wie heeft gelijk?

a)

Beide gelijk

b)

Marlon heeft gelijk

c)

Gerard heeft gelijk

d)

Beide ongelijk

26.

Mitochondrien komen voor in de cellen van ...

a)

planten

b)

dieren

c)

mensen

27.

Bestaat een kangoeroe uit organische en anorganische stoffen?

a)

ja

b)

nee

28.
Dit organisme doet...
a)

Verbranding

b)

Fotosynthese

c)

Verbranding EN fotosynthese

d)

Niks

29.

Als chlorofylmoleculen voldoende lichtenergie absorberen, dan komen elektronen ...

a)

in de grondtoestand terecht

b)

van de grondtoestand in de aangeslagen toestand terecht

c)

van de aangeslagen toestand in de grondtoestand terecht

d)

in een lager energieniveau terecht

30.

In de lichtreacties worden de energierijke elektronen uiteindelijk overgedragen op

a)

NADP+

b)

NADPH

c)

ATP

d)

ADP

31.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Lichtreactie

b)

Calvincyclus (donkerreactie)

32.

Fosforylering betekent

a)

Binden van een fosfaatgroep aan ADP

b)

Het vrijkomen van een fosfaatgroep van ATP

33.

Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van de glucose- en zetmeelvorming in een plant?

a)

NADPH & ATP

b)

NADP & ADP

c)

H2O & CO2

34.

De essentie van fotosynthese is dat lichtenergie wordt omgezet in chemische energie. Dat gebeurt als een geëxciteerde chlorofylmolecule

a)

geoxideerd wordt

b)

energie verliest in de vorm van warmte

c)

zijn potentiële energie vergroot

d)

fluorescentie ondergaat

35.

Welke processen doen zich voor tijdens de lichtafhankelijke reacties van de fotosynthese?

a)

Splitsing van H2O, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van O2, oxidatie van CO2

b)

oxidatie van H2O, reductie van NADP+, fosforylering van ADP, reductie van O2

c)

oxidatie van H20, synthese van ATP, reductie van NADPH, vorming van glucose

d)

Splitsing van H2O, reductie van NADP+, synthese van ATP, vorming van O2

36.

Bij welke reactie wordt energie vastgelegd?

a)

ATP --> ADP + P

b)

ATP + P --> ADP

c)

ADP --> ATP + P

d)

ADP + P --> ATP

37.

Koolstofdioxide wordt tijdens het fotosyntheseproces gebruikt bij

a)

de Calvincyclus

b)

de fotolyse

c)

de reductie van NADP+

d)

de synthese van ATP

38.

Planten hebben nodig:

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof en koolstofdioxide

39.

Planten maken

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof en koolstofdioxide

40.

Wat is de functie van NADPH en ATP?

a)

Ze absorberen licht

b)

Ze geven energie aan de lichtreactie

c)

Het zijn licht-reflecterende pigmenten

d)

Het zijn energie-overdragers

41.

Waar vinden de donkerreacties (Calvin cyclus) plaats?

a)

thylakoïd membraan

b)

lumen

c)

stroma

d)

grana

42.

Chlorofyl absorbeert een hoger percentage van ________ en ________ licht.

a)

groen en paars

b)

rood en blauw

c)

geel en oranje

d)

blauw en groen

43.

Tijdens de lichtreacties stromen elektronen ...

a)

van chlorofyl naar H2O

b)

van O2 naar chlorofyl

c)

van H2O naar chlorofyl

d)

van fotosysteem I naar fotosysteem II

44.

Tijdens het fotosyntheseproces wordt CO2 gebruikt voor de synthese van suikers in

a)

de lichtreacties

b)

de elektronentransportketen

c)

de Calvincyclus

d)

de thylakoiden

45.

De belangrijkste producten van de lichtreacties zijn

a)

Koolstofidioxde en water

b)

ATP en NADPH

c)

ATP en suikers

d)

Zuurstof en water

46.

Op het einde van de elektronentransportketen worden energierijke elektronen overgedragen op

a)

ATP

b)

ADP

c)

NADP+

d)

NADPH

47.

Vul (X) in.

Gedurende de lichtreacties geeft (X) elektronen door aan de elektronentransportketen?

a)

Chlorofyl

b)

Rubisco

c)

NADP+

d)

Zuurstofgas

48.

Een belangrijke bijdrage van water aan de lichtafhankelijke reacties bestaat uit het leveren van

a)

Fotonen

b)

Zuurstof

c)

Elektronen

d)

Protonen

49.

De belangrijkste producten van de donkerreacties zijn:

a)

NADPH en ADP

b)

NADP+, ATP en zuurstof

c)

Sachariden

d)

Water en H+

50.

Een plant die aan cyclische fotofosforylering doet

a)

produceert geen zuurstofgas

b)

produceert geen ATP

c)

produceert geen NADPH

d)

splitst geen water

51.

Hoeveel maal moet de Calvincyclus worden doorlopen voor de productie van 1 molecuul glucose?

a)

1x

b)

2x

c)

3x

d)

6x

52.

Men kan de brutoreactievergelijking van de lichtreacties bij de fotosynthese als volgt weergeven:


12 H2O + 12 NADP+ + n ADP + n Pi --> 12 NADPH + 12 H+ + 6 O2 + n ATP


Het resultaat van de “donkerreacties” kan dan weergegeven worden door:

a)

6 CO2 + 12 NADPH+ + 12 H+ + n ATP --> C6H12O6 + 12 NADP+ + 6 H2O + n ADP + n Pi

b)

6 CO2 + 12 H2O + n ATP --> C6H12O6 + 6 O2 + 6 H2O + n ADP + n Pi

c)

C6H12O6 + 12 NADP+ + 12 H2O + n ADP + n PI --> 6 CO2 + 12 NADPH+ + 12 H+ + n ATP

d)

12 NADPH+ + 12 H+ + 6 O2 + n ATP -->; 6 CO2 + 12 H2O + 12 NADP+ + 12 H+ + n ADP + n PI

53.

Wat kunnen de eindproducten zijn van de lichtreacties?

a)

Glucose, NADP+, water, ADP en Pi

b)

NADPH, H+, zuurstofgas, ADP en Pi

c)

NADPH, H+, zuurstofgas, ATP

d)

Glucose, zuurstofgas, water en ATP

54.

Tijdens de lichtreacties stromen elektronen

a)

van chlorofyl naar water

b)

van water naar chlorofyl

c)

van zuurstofgas naar chlorofyl

d)

van fotosysteem I naar fotosysteem II

55.

Waarvoor gebruiken planten het ATP, dat bij de lichtreacties van de fotosynthese is gevormd?


Dit ATP wordt gebruikt voor processen waarbij

a)

NADPH en H+ worden gevormd

b)

zuurstofgas wordt geproduceerd

c)

water wordt gesplitst

d)

koolstofdioxide wordt gereduceerd

56.

Een plant produceert per uur X mol glucose. Per uur produceert ze:

a)

X/3 mol zuurstofgas

b)

X/6 mol zuurstofgas

c)

X mol zuurstofgas

d)

6X mol zuurstofgas

57.

Is de bij de fotosynthese vrijkomend zuurstofgas afkomstig van CO2 of van H2O?


Is dit zuurstofgas ontstaan bij de lichtreacties of in de Calvincyclus?

a)

het is afkomstig van water en het is ontstaan tijdens de Calvincyclus

b)

het is afkomstig van water en het is ontstaan tijdens de lichtreacties

c)

het is afkomstig van koolstofdioxide en het is ontstaan tijdens de Calvincyclus

d)

het is afkomstig van koolstofdioxide en het is ontstaan tijdens de lichtreacties

58.

Het coenzym NADP+ is onmisbaar bij de fotosynthese.


Welke functie heeft dit coenzym?

a)

het draagt de uit de lichtreacties vrijgekomen energie over aan een reactiesysteem, waarbij ATP gevormd wordt uit ADP

b)

het draagt de uit de lichtreacties vrijgekomen waterstof over aan een reactiesysteem, dat zorgt voor de reductie van koolstofdioxide

c)

het draagt de uit de lichtreacties vrijgekomen zuurstofgas over aan een reactiesysteem, waarbij ATP gevormd wordt uit ADP

d)

het draagt de uit de lichtreacties vrijgekomen zuurstofgas over aan waterstof, waarbij ATPgevormd wordt uit ADP

59.

Tijdens de fotosynthese spelen o.a. CO2, H2O, NADP+ en NADPH een rol.


Welke van deze stoffen wordt tijdens de cyclus van Calvin gereduceerd?

a)

CO2

b)

H2O

c)

NADP+

60.

Als plant zijnde: Je staat volop in bloei!

a)

Dit kost je ATP

b)

Dit levert je ATP

61.

Als plant zijnde: Je bent bezig om vruchten te vormen.

a)

Dit kost je ATP

b)

Dit levert je ATP

62.

Als plant zijnde: In een wortelknol vind je ergens een molecuul glyceraldehyde-3-fosfaat. De vorming van glucose kost je nu maar ....

a)

18 ATP en 12 NADPH

b)

9 ATP en 6 NADPH

c)

18 ATP en 6 NADPH

d)

9 ATP en 12 NADPH

63.

Als plant zijnde: Je thylakoid membraan is lek.

a)

Je maakt geen ATP, maar wel NADPH

b)

Je maakt geen ATP en geen NADPH

c)

Je maakt wel ATP, maar geen NADPH

d)

Je maakt zowel ATP als NADPH

64.

Als plant zijnde: Er is een probleem met fotosysteem II

a)

Je maakt geen ATP meer

b)

Je maakt geen NADPH meer

c)

Er is alleen niet-cyclische fotofosforylering

d)

Er is alleen cyclische fotofosforylering

65.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Lichtreactie

b)

Calvincyclus (donkerreactie)

66.

Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van de glucose- en zetmeelvorming in een plant?

a)

NADPH & ATP

b)

NADP & ADP

c)

H2O & CO2

67.

Bij welke reactie wordt energie vastgelegd?

a)

ATP --> ADP + P

b)

ATP + P --> ADP

c)

ADP --> ATP + P

d)

ADP + P --> ATP

68.

Planten hebben nodig:

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof en koolstofdioxide

69.

Planten maken

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

zuurstof en koolstofdioxide

70.

Wat is de functie van NADPH en ATP?

a)

Ze absorberen licht

b)

Ze geven energie aan de lichtreactie

c)

Het zijn licht-reflecterende pigmenten

d)

Het zijn energie-overdragers

71.

Waar vinden de donkerreacties (Calvin cyclus) plaats?

a)

thylakoïd membraan

b)

lumen

c)

stroma

d)

grana

72.

Chlorofyl absorbeert een hoger percentage van ________ en ________ licht.

a)

groen en paars

b)

rood en blauw

c)

geel en oranje

d)

blauw en groen

73.

In de lichtreacties worden de energierijke elektronen uiteindelijk overgedragen op

a)

NADP+

b)

NADPH

c)

ATP

d)

ADP

74.

Bij welke reactieketen van de fotosynthese komt zuurstof vrij?

a)

Lichtreactie

b)

Calvincyclus (donkerreactie)

75.

Fosforylering betekent

a)

Binden van een fosfaatgroep aan ADP

b)

Het vrijkomen van een fosfaatgroep van ATP

76.

Welk 2 stoffen uit de lichtreactie zijn noodzakelijk voor het verdere verloop van de glucose- en zetmeelvorming in een plant?

a)

NADPH & ATP

b)

NADP & ADP

c)

H2O & CO2

77.

Bij welke reactie wordt energie vastgelegd?

a)

ATP --> ADP + P

b)

ATP + P --> ADP

c)

ADP --> ATP + P

d)

ADP + P --> ATP

78.
Hoeveel energie kost de omzetting van 1 pyrodruivenzuur naar 1 melkzuur?
a)
dit kost geen energie
b)
2 ATP
c)
1 NADH
d)
2 NADH
79.
Welk van deze processen vindt plaats in een mitochondrium?
a)
vorming van glucose uit CO2 en H2O
b)
vorming van melkzuur uit pyrodruivenzuur
c)
afbraak van glucose tot pyrodruivenzuur
d)
afbraak van pyrodruivenzuur tot CO2 en H2O
80.
Waarom is NADH energierijk?
a)
het bevat energierijke elektronen
b)
het bevat ATP
c)
het bevat protonen
d)
de energie zit opgeslagen in de binding van de derde P
81.

(R) Glucose kan door voortgezette assimilatie worden omgezet in ...

a)

O2

b)

Zetmeel

c)

CO2

d)

Glycogeen

82.

(R) Polypeptiden zijn ...

a)

Koolhydraten

b)

Eiwitten

c)

Vetten

83.

(R) Essentiële aminozuren ...

a)

Maak je zelf

b)

Haal je uit voeding

84.

(R) Monosacchariden zijn ...

a)

Koolhydraten

b)

Eiwitten

c)

Vetten

85.

(R) De grafiek in de afbeelding is in het Pools. Er wordt van drie verschillende enzymen de pH uitgezet tegen de ...

a)

Werking van het enzym

b)

Secundaire structuur van het enzym

c)

Afbraak van het enzym

d)

Levensduur van het enzym

86.

(T1) In de afbeelding is een ... te zien.

a)

Onverzadigd vetzuur

b)

Verzadigd vetzuur

87.

(R) Enzymen worden tijdens een reactie ...

a)

Verbruikt

b)

Gebruikt

88.

(T2) Uit de grafiek blijkt dat fotosynthese beter gaat met ...

a)

Meer CO2 en een lagere temperatuur

b)

Meer CO2 en een hogere temperatuur

c)

Minder CO2 en een lagere temperatuur

d)

Minder CO2 en een hogere temperatuur

89.

Komt bij de de omzetting van ATP naar ADP +P water vrij? Of moet er water opgenomen worden?

a)

Moet water opgenomen worden

b)

komt water bij vrij

c)

geen water voor nodig

90.
 Is archidonzuur een verzadigd of onverzadigd vetzuur?   
a)
verzadigd
b)
onverzadigd
91.

In deze grafiek staat het percentage huidmondjes dat open is gedurende het verloop van een dag.

Welke lijn past bij een plant die (evolutionaire) aanpassingen heeft aan het overleven in een droog milieu?

a)

De gestippelde lijn

b)

De doorgetrokken lijn

c)

Geen van beide lijnen

d)

Beide lijnen

92.

In deze grafiek staat de CO2 opname en afgifte van een plant gedurende de dag.

Welke stelling over het GROENE ("day") gedeelte is waar: daar is de:

a)

CO2 productie door assimilatie > CO2 opname bij dissimilatie

b)

CO2 productie door dissimilatie > CO2 opname bij assimilatie

c)

CO2 productie door assimilatie < CO2 opname door dissimilatie

d)

CO2 productie door dissimilatie < CO2 opname bij assimilatie

93.

In de afbeelding zie je een grafiek met de O2 opname en afgifte van een plant gedurende de dag.

Welke stelling over het RODE ("night") gedeelte is waar: daar is de ...

a)

O2 productie door assimilatie > O2 opname bij dissimilatie

b)

O2 productie door dissimilatie > O2 opname bij assimilatie

c)

O2 productie door assimilatie < O2 opname door dissimilatie

d)

O2 productie door dissimilatie < O2 opname bij assimilatie

94.

In de grafiek zie je CO2 opname en productie door een plant gedurende 24 uur. Welke lijn geeft CO2 opname weer?

a)

de doorgetrokken lijn

b)

de gestippelde lijn

95.

In het diagram is de fotosyntheseactiviteit van twee planten uitgezet tegen de lichtintensiteit. Uit het verloop van de curven kunnen we afleiden dat plant 1 meer dan plant 2 geschikt is om te leven ... (T2)

a)

... in het gehele onderzochte lichtintensiteitsgebied.

b)

... in licht met een intensiteit boven 40 eenheden.

c)

... bij lange belichtingsduur per etmaal.

d)

... in de schaduw.